Alles komt aan huis

Over de Pekelder radio-pionier Hubertus Klasen (1889-1965)

In 1930 schreef de Oude Pekelder W.H. Bosgrain zijn boekje Uit Pekela’s verleden over de
veenkoloniale radiopionier Klasen: ‘De jongste industriële onderneming is de fabriek van
radio-apparaten van H.K.A. Klasen, opgericht in 1922. Van amateurisme is de heer Klasen
overgegaan tot de fabricatie van radiotoestellen.

Toegerust met veel energie en vernuft, heeft hij belangrijke verbeteringen in de
radiotechniek aangebracht; zo werd hij de uitvinder van een nieuw ingebouwde membraam-luidspreker.

Thans levert de fabriek ook aanverwante toestellen af, als bioscoop-muziek- en grammofoon installaties en legt radiocentrales aan, als te Oude- en Nieuwe-Pekela, Stadskanaal enz.

De Akah-toestellen munten uit door solide en smaakvolle afwerking, terv.
geluidsweergave van de verschillende apparaten een groote volmaaktheid heer
bereikt. En een folder uit 1929 vermeldde: ‘In het kleine plaatsje Oude Pekela is heel
enthousiasme van een radio-amateur uitgegroeid tot een flinke industrie,

voor vele gezinnen een bestaan vinden.

hubertus klasen
De heer H.K.A. Klasen

Fascinatie

In 1919 zorgde ir. H.H. Steringa a Idzerda in Den Haag voor de eerste proefuitzendingen van de radio. De eerste regelmatige uitzendingen vonden plaats vanaf 1921 in Amsterdam. De beurskoersen werden op deze manier doorgegeven. De Vereniging voor de Effectenhandel had een eigen zender waar het persbureau Vas Dias een jaar later gebruik van ging maken om nieuwsberichten uit te zenden.
In 1924 stelde de Nederlandse Seintoestellen Fabriek te Hilversum een zender in werking die de inmiddels opgerichte omroepverenigingen op bepaalde tijden de dag konden huren. Na deze snelle en spectaculaire opmars van de radio raakten tallozen in de ban van het nieuwe medium. Velen lazen alles wat los en vast zat over het onderwerp dat hen fascineerde. Menigeen ging over tot het zelfbouwen van een toestel waarmee nieuws en amusement ‘uit de ether geplukt konden worden’.

Wellicht nergens worden fascinatie en spanning zo duidelijk beschreven als in het volgende: ‘Mijn vader had er lang voor gespaard en op een dag werd het bouwpakket
bezorgd. Urenlang bestudeerde hij samen met zijn broer de tekeningen en de instructies. Avonden lang bleven ze knutselen. “Nu moet-ie het doen!” riepen ze en staken bibberig de stekker in het contact. Er gebeurde niks. Mijn vader met zijn wat eeltige timmermanshanden en mijn oom de stukadoor haalden mopperend de zaak weer uit elkaar en begonnen de volgende avond opnieuw. Ik was een jaar of tien en iedereen was zo gebiologeerd door die apparatuur dat ze vergaten mij naar bed te sturen. En plotseling, totaal onverwacht, begon iemand in dat kastje te praten! Mooi en hard en duidelijk! Heel even was iedereen als versteend, toen begon mijn moeder ontroerd te snikken. Onthutst en met kippevel zag ik hoe mijn vader zijn bril omhoog schoof en met zijn rooie zakdoek in zijn ogen wreef. Toen barstte het gejuich los. Hij doet het! Hij doet het! Een wonder: een vreemde onzichtbare meneer praatte tegen ons in onze eigen huiskamer… Er was een mannetje geland op de maan.’

Amateur

Het moet Hubertus (Bertus) Klaas Adam Klasen ongeveer net zo zijn vergaan als de hierboven beschreven gedreven radio-amateurs. Vanaf het prille begin interesseerde alles wat maar te maken had met de radio hem mateloos. Hij ging er alle literatuur die hij in handen kon krijgen, over lezen. En dat niet alleen, hij experimenteerde.
Speelde bovenstaand verhaal zich af in 1925 en waren de amateurs daar bezig met een kant en klaar bouwpakket, beschikbaar gesteld door de juist opgerichte VARA,
de Oude Pekelder radio-amateur bouwde zijn eerste radio-ontvanger al in  het najaar van 1920 en bovendien van losse onderdelen die hij kocht bij importeurs in Amsterdam en Baarn. Zijn belangstelling voor de techniek in het algemeen was toch al groot en voor de
elektrotechniek in het bijzonder. Reeds op zeer jonge leeftijd had hij zijn scherp technisch inzicht getoond door de uitvinding van een apparaat dat de schipper alarmeerde als het ruim van zijn schip vol begon te lopen. Toen hij daarna in de krant had gelezen dat er in Amsterdam een schip was gezonken waarbij vier kinderen waren omgekomen terwijl de schipper en zijn vrouw aan wal waren, breidde hij zijn vinding uit met een signaallamp in de mast, zodat omstanders, passanten en omliggende schepen in de haven gewaarschuwd werden. Veel later, in 1914, verkreeg een zekere Benders uit Den Haag patent op precies dezelfde constructie.

Dat was de eerste keer dat Klasen verzuimde een door hem ontwikkelde constructie aan te melden bij de Octrooiraad. Hij had weinig vertrouwen in de gang  van zaken rond het patentrecht. Vermoedelijk is echter het niet aanvragen van bepaalde patenten
Bertus Klasen later fataal geworden.

Sensatie

Toen het in zijn omgeving bekend werd dat Bertus Klasen in het kleine schuurtje achter zijn huis aan de toenmalige Kroonstraat in Oude Pekela een apparaat had gebouwd waarmee ‘stemmen en muziek uit de lucht konden worden geplukt’ veroorzaakte dit een ware sensatie. In Oude Pekela en wijde omgeving hadden velen ongetwijfeld wel eens gehoord of gelezen van radio-ontvangst maar er was niemand die het fenomeen ooit had beluisterd. Heel wat mensen kwamen eens in de Kroonstraat met de koptelefoon over de oren luisteren naar dat wonder en onvermijdelijk kwam dan de vraag:
‘Beddes jong, kinst mie ook nait zo’n kassie moaken?’ Vaak voldeed hij aan deze wens, mits hij de materialen vergoed kreeg. Zo bouwde hij in 1921 maar liefst vijftien radio’s,
allemaal als hobby. En bij elke radio leerde hij weer meer van de grillige radiotechniek en paste hij nieuwe vindingen onmiddellijk toe. De geïmporteerde onderdelen kwamen uit Engeland en Amerika.

radiofabriek
Huis van de familie Klasen te Oude Pekela. De radiofabriek was gevestigd in een schuur
achter het huis, de radiocentrale in het linkerdeel van het woonhuis.

(Dit is de W.H.Bosgrastraat 124, vroeger de manufacturenwinkel van Evert Heukers en Trijntje Beumee. Hierna is het pand verbouwt en woonde daar Hubertus Klasen van de Pekelder Radio centrale en maker van de AKAH radio.)

Zijn toestellen waren in die tijd twee-, drie- of vierlampsontvangers met twee
afstemkringen en verwisselbare spoelen. De tweelampsapparaten konden alleen
beluisterd worden met een koptelefoon, de andere waren geschikt voor luidsprekerontvangst. De voeding kregen de radio’s van een vier-volts accu en een negentig- of honderd en twintig- volts anodebatterij.
5 De nieuwe bezitters van de radio’s waren zonder uitzondering heel erg tevreden

over de kwaliteit van de ontvangst en lieten vol trots hun aanwinsten aan vrienden
en kennissen zien en horen.

Professioneel

Door mond-op-mond-reclame kreeg Klasen zoveel aanvragen en opdrachten dat ze eigenlijk niet meer in de avonduren uitgevoerd konden worden. Zelfs met de hulp van een aantal geïnteresseerde Pekelders kon hij het werk niet meer aan. Tot diep in de nacht had hij vele uren in het schuurtje achter zijn woning doorgebracht, terwijl hij overdag samen met zijn broer Klaas de scheepsbevrachting uitoefende.
Gesterkt door de uitsluitend goede berichten die hij kreeg over de ontvangst van de door hem geleverde apparaten, waagde hij in 1922 de sprong: hij besloot een dagtaak te maken van het bouwen van radio’s en het bedrijf van scheepsbevrachter aan zijn broer over te laten.

De schuur achter de woning werd nu geheel ingericht voor de fabricage van radiotoestellen, voor onderzoek en proefnemingen, de zolder als magazijn. Alles werd nu professioneel aangepakt. De kasten werden gemaakt door een plaatselijke meubelfabriek, voor de bouw stelde Bertus een leerling aan, zelf deed hij de onderzoekingen en hield hij de supervisie. Alle ontwikkelingen op radiogebied werden op de voet gevolgd en verbeteringen na experiment onmiddellijk toegepast. Een belangrijke vinding als die van de mini-watt lampen werd dadelijk in de nieuwe toestellen van de in 1922 opgerichte Radio-Apparaten-Fabriek H.K.A. Klasen ingebouwd.

Luidspreker

Een zwakke schakel in de keten van de radio-ontvangst was de luidspreker.
Overal paste men de hoorn-luidspreker toe. Deze had aan het einde van de hals
een vlakke trilplaat net als bij de koptelefoon. Het geluid was wat blikkerig, vooral in de lage tonen nogal vervormd met name als er iets te veel energie werd toegevoerd.
Overal ter wereld zocht men naar een betere geluidsdrager of -weergever en toen
Bertus Klasen in een vaktijdschrift las dat in Amerika aardige resultaten waren verkregen met papieren trilplaten probeerde hij dat meteen uit.

Hij verbond de trilplaat van een koptelefoon met een stuk strak gespannen tekenpapier door er een metalen stripje tussen te plaatsen. Het resultaat was verbluffend: de geluidsweergave was aanzienlijk beter, minder blikkerig.
Maar ideaal was het in de ogen van de radio-pionier nog niet. Hij ging voort met
experimenteren, gebruikte andere papiersoorten en maakte andere vormen dan de
vlakke trilplaat. De trechtervormige bleek nog de beste van allemaal, maar hierbij
deed zich de moeilijkheid voor dat het papier te slap was. Dus zocht hij naar een
middel om het papier te verstevigen. Dat deed hij samen met zijn vriend
B.J. Baalman, drogist en fabrikant van de gerenommeerde Jacoba Maria
Wortelboers Kruiden. Ze vonden een vloeistof waarvan het papier na onderdompeling duidelijk steviger werd en niet meer resoneerde. De ophanging van de nu stevige kegel (conus) kwam tot stand door aan de kegel een strook soepel vilt te lijmen, zodat vilt en papier met elkaar verbonden waren. Het resultaat van de nieuwe luidspreker met conus was erg goed. Voortaan bouwde Klasen ze in zijn toestellen in.

Niet alleen was de geluidsweergave beter, maar de luidspreker kon ook veel meer energie verwerken dan de oude hoorn. Door twee eindlampen parallel te schakelen kreeg hij meer uitgangsenergie en daardoor een veel krachtiger geluid.
Mede door deze vindingen werd de vraag naar Klasens radiotoestellen steeds groter en gingen er in de Pekelder fabriek voor radio-apparaten meer mensen werken.
De samenstelling van de vloeistof waarmee hij de conussen behandelde heeft
Bertus Klasen nooit prijsgegeven. Het mag verwonderlijk heten dat hij op deze vinding, waarmee hij zeer waarschijnlijk toch de eerste was, nooit octrooi heeft aangevraagd. Wellicht is juist het verzuimen van deze patentaanvraag hem later fataal geworden.

H.K. en AKAH ingebouwd

Zijn toestellen mochten dan voldoen aan een hoge graad van volmaaktheid,
Klasen was altijd bezig en werkte aan een nog hogere kwaliteit. Zo bouwde hij een vierlampstoestel voorzien van de nieuwste lampen en een pas uitgekomen spoelstel
van Lewcos. Hierdoor was het verwisselen van losse spoelen overbodig geworden en
was er maar één afstemcondensator nodig.

kerkuil
Losse luidspreker met front van houtsnijwerk ‘de kerkuil’, 1926

Bertus’ ideaal was tenslotte een toestel waarbij radio-ontvanger en luidspreker in één
kast ondergebracht waren. Voor de vormgeving vroeg hij advies aan de beeldhouwer
H.A. ter Reegen. Deze had al een naam opgebouwd als ontwerper en uitvoerder van fronten van kerkorgels in de provincie Groningen. Nu ontwierp hij voor het nieuwe toestel van Klasen een front van houtsnijwerk waarop een fluitspeler in het bos was te zien.
Later kwamen er nog andere ontwerpen: een kerkuil op een kerktoren en de voorstelling van een harp. In 1926 kwam het nieuwe toestel uit. Het sloeg in de radiowereld in als een
bom. nooit eerder was het vertoond: toestel en luidspreker in één! En dan het design! Het was een klokvormig toestel geheel van eikenhout. De afstemschaal was voorzien van uitschakelbare verlichting. Het geheel stond op een onderzetkast met een lade en
twee deurtjes. In die kast waren de accu en de anode-batterij opgeborgen. Voor het eerst stond er een merknaam op het toestel, H.K., de initialen van Hubertus Klasen.
Toen het toestel in Veendam op een tentoonstelling in Veenlust geshowd werd,
raakten de bezoekers zeer onder de indruk van de fijne geluidsweergave en de
artistieke vormgeving. De krant schreef: ‘Dit is geen radio meer, maar een kunstwerk.’

fluitspeler
Toestel met ingebouwde conus-luidspreker uit 1926 met front van ‘De fluitspeler’.

De concurrentie was verbijsterd. Zowel Philips als Siemens en anderen kwamen pas een jaar later met een conus-toestel op de markt en het was opvallend dat zij ook veel later kwamen met toestellen met ingebouwde luidspreker. Philips bijvoorbeeld pas in 1931. Zonder overdrijving kan dan ook gesteld worden dat Klasen in ‘het kleine dorpje Oude Pekela’ waarschijnlijk de uitvinder is geweest van de conus-luidspreker, maar dat hij stellig de eerste ter wereld was die een toestel met ingebouwde luidspreker fabriceerde.
De verkoop van het toestel liep zo hard dat Klasen besloot vertegenwoordigers aan te stellen in Groningen, Veendam en in Leeuwarden.

Zij probeerden de toestellen via elektrozaken, rijwielhandelaren en dorpssmeden aan de man te brengen. De hoge prijs was voorlopig nog wel een belemmering. De driehonderd dertig gulden die ervoor neergeteld moesten worden logen er in die tijd niet om.
De merknaam H.K. was overigens geen lang leven beschoren. De luciferfabriek HAKA
maakte er vanwege de klankovereenkomst bezwaar tegen, maar ging akkoord met Bertus’ voorstel de initialen wat anders te plaatsen, zodat de merk-naam AKAH ontstond. Daarvan vond de officiële inschrijving bij het merkenbureau in Den Haag plaats op

23 februari 1927 onder nummer 86767. De Pekelders maakten er al gauw van:
‘Alles Komt Aan Huis’.

Wisselstroom

In de jaren twintig nam de elektriciteitsvoorziening een enorme vlucht. In Oost-Groningen was dat niet anders. Daar waren de gemeenten Veendam en Wildervank zelfs al sinds 1901 en Nieuwe Pekela sinds 1909 aangesloten op het elektrisch net vanuit de centrale te Veendam. Klasens eigen gemeente was relatief laat met de centrale  elektriciteitsvoorziening naar de woonhuizen omdat Oude Pekela een gasfabriek had die de verlichting verzorgde. Bertus Klasen voorvoelde heel goed dat hij op deze ontwikkelingen moest inspelen. Hij zag wel in dat vroeg of laat ieder huisgezin zou kiezen voor een radio-toestel dat gevoed zou worden door wisselstroom. De vakbladen besteedden in de jaren 1926 en 1927 veel aandacht aan de mogelijkheid om wisselstroom toe te passen voor de radiolampen. Philips was spoedig in staat de gloeidraden van de
radiolamp op de wisselstroom te laten werken en kwam in 1927 met een wisselstroom-radiotoestel. Nachtenlang zocht de Oude Pekelder radiopionier naar de oplossing om zijn toestel met wisselstroom te kunnen voeden. Wat er uit kwam was echter een radio
met veel brommen en fluiten. Uiteindelijk wist hij toch met met een houten chasis dat tot dan toe bij gelijkstroom gebruikelijk was en een loodkabel om de bedrading,
een storing vrije ontvangast te krijgen.

tentoonstelling
Foto van de AKAH-stand op de tentoonstelling in Veenlust.

Daarmee waren de moeilijkheden echter nog niet overwonnen. De elektriciteitcentrale in
Veendam leverde als enige in heel Nederland stroom met een netspanning van 160 volt. En omdat er heel wat potentiële klanten in die regio zaten, was Bertus er wel toe gedwongen er rekening mee te houden. Daartoe moesten de 220 volt transformatoren omgebouwd worden naar 160 volt door van de primaire kant een hoeveelheid draad af te wikkelen. Inmiddels waren er voor zelfbouwers ook wisselstroomlampen in de handel gekomen. Klasen paste ze onmiddellijk toe in zijn toestellen. In de kathedraalvormige kast met het prachtige houtsnijwerk in het front bouwde hij nu zijn netvoedingtoestel.
Op de door Klasen georganiseerde tentoonstelling in de winter van 1927 stond de wisselstroom-kast naast zes andere types van AKAH in de zaal van Veenlust te Veendam
te pronken. Een model was er met twee luidsprekers, even als de andere vanzelfsprekend
ingebouwd. Honderden bezoekers zagen en hoorden de kwaliteitsartikelen uit de OudePekelder fabriek. De fabrikant zelf zat achter de microfoon die verbonden was met een luidspreker in de etalagepop die de bezoekers bij de ingang verwelkomde.
‘Moi Kloas mien jong, bist allend, hest de vraauw nait mitnomen?’ hoorden ze stomverbaasd. Sommigen waren zo verbouwereerd dat ze antwoordden.

reclame
Reclame advertentie

Octrooien

1928 werd een enerverend jaar. In de fabriek waren zes medewerkers bezig met de bouw van radio’s en luidsprekers. Zelfs werden er complete geluidsinstallaties voor bioscopen gebouwd. De concurrentie werd echter steeds groter en de verkoop van radiotoestellen liep terug. De problemen die er langzamerhand ontstonden waren kenmerkend voor de kleinere radiofabrikanten. De grotere bedrijven hadden in de loop der jaren een veertiental octrooien verworven voor de belangrijke schakelingen. Heel belangrijk hiervan was de methode om de radiolampen onderling te koppelen door middel van condensatoren en weerstanden. Het werd steeds moeilijker om zonder deze patenten toestellen te bouwen die de concurrentie met de grote merken aankonden en Klasen en de andere kleintjes pasten dan ook vaak de geoctrooide onderdelen toe.

In ‘t laatst van 1927, begin 1928 werd Klasen er door Philips op aangesproken de
toepassing van enige onderdelen direct te staken of anders licentie bij de grote
Eindhovense onderneming aan te vragen. Dit was een enorme klap voor de
Pekelder, het deed hem veel verdriet. Philips bood hem nog aan zijn bedrijf over
te nemen, ook kon hij in Eindhoven of in Hilversum (bij de NSF) werken, maar
Bertus wilde eigen baas blijven en in geen geval zijn geliefde Pekela verlaten.
Een oplossing voor de problemen vond hij bij de leveranciers van onderdelen.
Zij konden een compleet pakket onderdelen samenstellen met een octrooi-vrij schema.
En zo kon Klasen doorgaan met de bouw van radiotoestellen al was het dan
ook op een heel andere manier dan hij zich had voorgesteld. In 1929 kwam hij
zelfs nog met twee nieuwe toestellen op de markt, de Philodijne en de Solodijne,
maar de glorietijd van de AKAH-toestellen was voorbij. Een nieuw fenomeen, de
massaproductie van onderdelen en toestellen, luidde uiteindelijk de definitieve
ondergang in van de Radio-Apparaten-Fabriek H.K.A. Klasen te Oude Pekela.
Na 1930 werden er van het merk AKAH vrijwel geen toestellen meer verkocht.
Naast de grote Nederlandse merken kwamen er nu ook buitenlandse op de markt.

Radiodistributie

In 1927 al had Bertus Klasen zich afgevraagd of de radiodistributie zoals die in de
Zaanstreek werkte, iets zou zijn voor een plaats als Oude Pekela waar naar verhouding nogal wat mensen woonden die zich geen eigen toestel konden permitteren.
De vraag stellen was hem beantwoorden en meteen vroeg hij bij het gemeentebestuur vergunning voor het aanleggen van een radiodistributienet. De concessie om deze bovengronds te leggen werd hem het volgende jaar reeds verleend.
Ook de buurgemeente Nieuwe Pekela deed mee en zo kon Klasen beginnen met
het aanleggen een leidingennet langs het hele Pekelder Diep. Langs houten palen
werden aan isolatoren blanke koperdraden gespannen met aftakkingen naar de
huizen. Veel palen stonden er al langs het Diep voor de telefoon en het elektrisch
net. Deze konden ook voor de radiodistributie worden gebruikt.

De eerste Noord-Nederlandse Radio Centrale werkte vanuit het huis van Hubertus Klaas Adam Klasen aan de Kroonstraat, nummer 12 in Oude Pekela, waar een
geluidsstudio was afgetimmerd. Alles was daar van eigen fabrikaat.
De versterkers, de luidsprekers en het net, ze waren allemaal door Klasen ontworpen en
gebouwd. Deze distributie bracht Bertus het plezier en de voldoening terug die hij moest missen door het wegvallen van de fabricage van de ‘eigen toestellen’. Hij wilde de
distributie zo uitbreiden dat vier van zijn vijf zonen er een goede boterham in zouden kunnen verdienen. Voor één hoefde hij niet te zorgen. Die werd priester.
De groei van de radiodistributie van Klasen was evident. De centrale begon met 34 abonnees, maar dat aantal groeide al gauw uit naar 1600. Niemand wilde achterblijven, al waren de kosten van de aansluiting voor die tijd, de beruchte crisisjaren, niet
onaanzienlijk. Een luidspreker kostte al gauw ƒ 25,- en de aansluiting een tientje, terwijl het abonnement op twee kwartjes in de week lag. Voor de dure, monumentale kasten van luidsprekers kwam spoedig een goedkope variant, het bakje van 40 centimeter in het vierkant en een diepte van 15 centimeter. Aanvankelijk werd het uitgevoerd in eiken, later in het goedkopere triplex. Een bijzondere uitvoering had het kastje van 1938,

het jaar van het veertigjarig jubileum van Koningin Wilhelmina.
Het front werd toen de Nederlandse Leeuw met W 40.

luidsprekerkast
Luidsprekerkast van 1938.

Na Oude en Nieuwe Pekela volgden spoedig Zuidwending, Noorderkolonie en Hoetmansmeer, de beide laatste ‘onrendabele gebieden’ in de gemeente Nieuwe
Pekela. Daarna volgden nog Onstwedde, Meeden, Kibbelgaarn, Westerlee en
enige buurtschappen. In 1928 sloegen Klasen en Van Dam, eigenaar van het café
bij de Drouwenermondse brug, de handen ineen en richtten de radiocentrale voor
Stadskanaal op. In Oude Pekela bouwde men er de installatie voor.
Een uitgebreid net dat in korte tijd tot stand was gekomen, maakte AKAH werkelijk tot Alles Komt Aan Huis. Ook bij regen, storm en onweer, zou men eraan toe kunnen voegen. Want ging het door de slechte weersomstandigheden eens mis met de kwetsbare bovengrondse leiding dan was de service-dienst van Klasen bij dag en bij nacht snel ter plekke om storingen te verhelpen.

Uitzendingen

Vanuit de studio aan de Kroonstraat gaf de Noord-Nederlandse Radio Centrale de
reguliere uitzendingen van Hilversum door. Dat was echter niet het enige dat
Klasen te bieden had. Hij draaide ook grammofoonplaten, zelfs op verzoek, en nu en dan trad het Klasen-familieorkest op.

akah
De geluidsdagen van AKAH zoals deze in de jaren dertig
voor diverse evenementen werd ingezet.

Dat werd gevormd door de vier dochters met Rie op de accordeon, Tiny achter de piano,
Annie aan de drums en Mia als het nog zeer jonge zangeresje. Wie een hond of kat kwijt was, klopte meestal niet voor niets bij Klasen aan. Hij gaf het wel over de radio door. Bekende Pekelder moppentappers als Albert Mulder, de drukker en uitgever van het Pekelder Blad, en de landbouwer Jan Zand Smidt waren vaak op Radio Pekela te beluisteren. De luisterdichtheid in Oude Pekela en omgeving was bijzonder groot.
Klasen kwam eveneens vaak met zijn geluidswagen in actie. Deze werd veel
gevraagd in de wijde omgeving tijdens winkelweken en festiviteiten.
Op ludieke wijze deed hij dan allerlei afkondigingen.

Even ludiek waren Bertus’ initiatieven in zomer en winter. Op warme avonden
kon het gebeuren dat hij een wit doek spande tussen de bomen langs het Pekelder
Diep en er vanaf het balkon van zijn huis films op projecteerde. Meestal waren het
komische voorstellingen, zoals van Bulletje en Bonestaak, Laurel en Hardy en
dergelijke. En ‘s winters keek niemand er vreemd van op dat de muziek bij Klasen
over het ijs schalde wanneer vele Pekelders er een baantje trokken bij de verlichting die hij langs het diep had aangebracht. Dan was het goed toeven in het bovenste gedeelte van Oude Pekela dat anders niet uitblonk door een grote levendigheid, maar waar het kanaal niet zo vervuild was door de strokartonfabrieken dan in het meer naar beneden gelegen gedeelte van Oude Pekela. Het kon echt gezellig zijn op ‘Kloasens daip’.

Confiscatie

Tijdens de oorlog werden alle particuliere radiocentrales door de Duitse bezetter
geconfisceerd en onder beheer van de toenmalige PTT geplaatst. Op deze manier
was het voor de nazi’s eenvoudig om te controleren wat er werd uitgezonden.
Hiermee was de radiodistributie voor Bertus Klasen in feite afgelopen. Om zijn
bestaan veilig te stellen, richtte hij in 1941 een zaak in huishoudelijke apparaten
en elektrische artikelen op.
Aan het eind van de oorlog, in 1944, ontbood de Duitse bezetter Bertus Klasen op
het beruchte Scholtenshuis in Stad. Men verdacht hem ervan berichten door te
geven aan de Ondergrondse en aan de Geallieerden. De SD (de Duitse Sicherheitsdienst) ondervroeg hem op de beruchte wijze, waarbij veel klappen vielen,
’s Avonds lieten de beulen hem weer vrij. Kennelijk was er niets te bewijzen en
had Bertus niets losgelaten. Strompelend kwam hij afgemat bij vrouw en kinderen thuis.

Na de oorlog nam de PTT alle radiocentrales over. De eigenaren werden gedwongen uitgekocht. Zo ook Klasen. Hiermee was er een eind gekomen aan het levenswerk van de gedreven en zeer inventieve Pekelder radiopionier, die echter ook toen hij gepensioneerd was met zijn hobby bezig bleef en in een theekoker met een doorsnee van 25 en een hoogte van 125 centimeter boven en onder een speaker plaatste waardoor hij een prachtige scheiding van hoge en lage tonen kreeg.

Hubertus Klaas Adam Klasen overleed op paaszaterdag 17 april 1965 in het
Sint Lucas Ziekenhuis te Winschoten. Een hartinfarct velde Pekela’s gedreven
radiopionier op zesenzeventigjarige leeftijd.


Een Pekelder Communist

Eppo Orsel en de gemeenteraad van Oude Pekela in de crisisjaren.

Bij de verkiezingen voor de gemeenteraad in 1931 verwierf de Communistische Partij Nederland (CPN) in Oude Pekela één zetel, en was daarmee voor het eerst in de gemeenteraad vertegenwoordigd. Namens de CPN nam Eppo Orsel zitting in de raad. Vanaf dat moment tot aan zijn vertrek uit de gemeenteraad in 1937 is het niet
meer rustig geweest tijdens de raadsvergaderingen.

eppo orsel

Eppo Orsel werd op 2 maart 1902 in Nieuwe Pekela geboren.
Zijn vader was geschoold timmerman en het gezin, waar Eppo uit voortkwam, is te typeren als een  degelijke arbeidersfamilie. Hij huwde Lutia Kuiper (geb. 4 sept. 1904) en vestigde zich in Oude Pekela waar hij woonde aan Noodvlucht 18, nu Tuinbouwwijk.
Hij was werkzaam als fabrieksarbeider. Uit het huwelijk werden vier kinderen geboren, drie zoons en een dochter. Zijn dochter herinnert zich haar vader als een goede man,
die in de moeilijke crisisjaren goed voor zijn gezin kon zorgen. Armoede hebben zij niet gekend. Die armoede was in de omgeving wel aanwezig. De dertiger jaren waren slechte
jaren voor arbeiders. De werkloosheid was groot, de inkomens laag, huisvesting slecht geregeld en ziekte, waaronder de gevreesde tuberculose, een vast metgezel van menig arbeidersgezin. Eppo trok zich de omstandigheden van de arbeiders aan.

Hij was communist in hart en nieren en zette zich in voor wat hij ‘de paupers’ noemde, de mensen die absoluut niets hadden. Hij werd de vraagbaak voor arbeiders en zijn huis zat doorgaans vol met mensen die in de problemen zaten of raad nodig hadden.

Het bleef niet bij raad alleen. Eppo probeerde voor eten te zorgen waar dat nodig was, praatte geld los bij de gemeente voor wie dat niet had. Daarbij was hij zeer vasthoudend, tot ongenoegen van de autoriteiten waarmee hij te maken had.
Eppo Orsel was geen gemakkelijke man. Hij had als opleiding niet meer dan lagere school, maar had zichzelf ontwikkeld, las veel en wist waarover hij het had. Hij werkte vanuit een revolutionair ideaal: de vestiging van een communistische samenleving waarbij de gemeenteraad, waarin hij zitting had genomen, omgevormd zou worden tot een sowjet. Dit idee heeft hij nooit losgelaten.

Hij zag zich als vertegenwoordiger van de revolutionaire arbeidersklasse die mandaat had van zijn achterban. En het moet gezegd, hij had aanhang. Als Eppo Orsel in de gemeenteraad sprak, zat de publieke tribune vol. En niet slechts omdat bij hem vuurwerk te verwachten was. Hij zette zich met volle overtuiging voor zijn ideaal en zijn achterban in. Dit, mede veroorzaakt door zijn manier van optreden, bracht hem in een voortdurend
conflict met de andere leden van de gemeenteraad.

De Revolutie

De verkiezingen van 1931 luidden voorde CPN een periode van expansie in.
Oude Pekela kende sinds 1928 een afdeling van de CPN. Groningen, Winschoten,
Finsterwolde en Sappemeer hadden een groeiende aanhang. In de jaren die volgden
zouden in de regio meerdere afdelingen van de Partij opgericht worden.

De situatie van een groot deel van de arbeiders was slecht en er was geen zicht op
verbetering. In die omstandigheden was het bestaan van de Sowjet-Unie een teken
van hoop. Het kon anders, een beter leven was mogelijk en de Sowjet-Unie was
daarvan het bewijs. Daar was geen werkloosheid meer, geen honger.

In het land waar het socialisme zegevierde, werd gezorgd voor goede woningen, scholen en menselijke werkomstandigheden. Nu, 60 jaar later, zien we terug en weten dat de werkelijkheid anders was dan de arbeiders hier meenden. Maar het was hun oprechte hoop, en het gaf de mensen een toekomstverwachting. Zo ook Eppo Orsel.
Bij het begin van zijn optreden in de raad van Oude Pekela, tijdens de verkiezing van de wethouders, maakte hij duidelijk waar hij voor stond:

‘Wij revolutionnairen (…) zien in de gemeente een orgaan van den Burgerlijken Staat en niets anders dan een generaal-comité van de bourgeoisie. De wethouderszetels behooren niet langer in de handen te zijn van de sociaal-democraten.

Wij eischen een wethouderszetel. Het proletariaat begint te voelen, dat de sociaaldemocraten de hielenlikkers zijn van de kapitalisten.
De sociaal-democraten hebben op de werkloozen laten hameren en zij geven hun lood in plaats van brood. Hieraan zal en moet een einde komen. Wij nemen geen verantwoordelijkheid op ons voor de burgerlijke maatschappij’.

Individuele Belangen

Eppo Orsel zag er niet tegen op om voor de individuele belangen van ‘zijn mensen’
in de raad op te komen, alhoewel in de meeste gevallen de voorzitter weigerde om
de zaak in behandeling te nemen.
In de raadsvergadering van 25 september 1931 stelde hij de situatie van het gezin
Draayer aan de orde. Deze woonde in een ‘allerellendigst hok’ en Orsel stelde voor
om hem een goede woning te verschaffen tegen een huur, overeenkomend met 1/10
gedeelte van zijn inkomen. Daar Draayer werkloos was, betekende dit een lage huur.
B en W stelde voor om het een en ander voor kennisgeving aan te nemen, daar de gemeente geen woning beschikbaar had. Daar nam Eppo geen genoegen mee.

Hij verweet de sociaal-democraten dat zij hun plichten als arbeidersvertegenwoordigers verzaakten omdat zij op de hoogte waren van de treurige toestand van Draayer.
Orsel stelde voor om voor Draayer een woning te bouwen als er geen voorhanden was en tot de woning gereed was het gezin in een noodwoning te huisvesten.
De raad voelde niet veel voor dit idee hetgeen Orsel deed opmerken:

‘Waar het kapitalisme wel bestaat, daar ziet men: opstapeling van het bezit van het
kapitalisme en bittere armoede voor de arbeidersklasse. Wij hebben besloten Draayer een woning te verschaffen. Doen jullie het niet, dan zullen wij ervoor zorgen.
Wij zullen niet eerder rusten voor we jullie uit de paleizen hebben gejaagd  en Draayer er in gebracht………’ Dit deed de heer Stuut vragen of Draayer niet naar Rusland kon.
Waarop Orsel ernstig meende dat dit niet kon: Draayer had hier zijn werk.

gemeentehuis
Gemeentehuis Oude Pekela in de jaren dertig.

Dit in de raad brengen van individuele knellende situaties heeft Eppo Orsel tijdens
zijn gehele raadsperiode gedaan. Meestal zonder succes, maar hij bereikte wel dat
over vaak beroerde omstandigheden uitvoerig gesproken werd.
Dit opkomen voor het individu kwam voort uit zijn persoonlijke betrokkenheid met hen die zich aan de onderkant van de samenleving bevonden.
Dit kwam heel sterk aan de orde tijdens de raadszitting van 10 november 1934,
waarin de gemeentebegroting van 1935 werd behandeld.

Enkele dagen daarvoor had een 49-jarige timmerman zich van het leven beroofd.
Hij was reeds een halfjaar werkloos. Een verzoek om tot de werkverschaffing te
worden toegelaten werd niet gehonoreerd en een toegezegde baan bij de fa. Knigge
te Stadskanaal ging ook niet door. Dit was de man te veel geworden.
Eppo Orsel trok zich deze gebeurtenis aan. Tijdens de begrotingsbehandeling bracht hij naar voren dat er een werkloze was, die uit wanhoop zelfmoord had gepleegd en dat er een dakloos gezin was dat niets bezat maar als een hond de straat was opgejaagd.
Burgemeester Snater verklaarde dat dit niets met de begroting te maken had.
Hij kon wel tot middernacht naar die kletspraat luisteren en ontnam Orsel het woord.
Bij de post ‘salaris burgemeester’ stelde Orsel voor om deze post niet uit te trekken
omdat de burgemeester de mensen liet hongeren en het gemeentehuis uit joeg.
De burgemeester stelde dat het gemeentehuis geen tehuis voor daklozen was,
waarop Eppo Orsel riep dat het de bedoeling was hem te laten hongeren die een
ander laat hongeren.

Orsel en de burgemeester

De verhouding tussen Orsel en de andere leden van de raad was op zijn minst
problematisch, maar tussen hem en de voorzitter van de raad was het echt mis.
Het optreden van Orsel binnen en buiten de raad irriteerde burgemeester Snater
mateloos. Op elk punt had Eppo Orsel wel iets op te merken en daarbij was hij vaak
zeer uitvoerig aan het woord, waardoor de raadsvergadering de neiging had om
naar de kleine uurtjes te schuiven.
Tijdens de raadsvergadering van 22 september 1932 kwam het tot een uitbarsting
tussen raadslid Orsel en burgemeester Snater.
Oude Pekela had een bijzonder onrustige tijd achter de rug met stakingen in de werkverschaffing, politieke meetings en demonstraties waarbij de politie charges
uitvoerde. Daarbij speelde Eppo Orsel een stuwende rol.
Tijdens de lange vergadering nam Orsel uitvoerig het woord over de situatie in de
60 werkverschaffing. Daarbij ondernam hij een felle aanval op de sociaal-democraten
opdat de arbeiders zouden leren wat zij aan dezen hadden. De burgemeester hamerde
Eppo verschillende keren af, maar het hielp niet, Orsel bleef aan het woord. Daarop
stelde de voorzitter van de raad voor om de heer Orsel te schorsen voor twee
vergaderingen. Terwijl Orsel zijn redevoering voortzette werd gestemd over het
voorstel, hetgeen werd aangenomen. De burgemeester verzocht Orsel vervolgens
de raad te verlaten, waarop Eppo opmerkte dat hij nog veel meer te vertellen had.
Er bleef voor burgemeester Snater niet veel meer over dan het raadslid door de
politie de zaal uit te laten zetten.
Dat gebeurde dan ook. Eppo verliet onder begeleiding de vergadering terwijl zijn
aanhang de roep ‘Rood Front!’ inzette.
Overigens zat de burgemeester fout. In de volgende raadsvergadering moest hij de
schorsing ongedaan maken. Hij had de daartoe vereiste procedure niet in acht genomen.

Het is in deze woelige periode, de jaren ’ 32-’ 34, dat de gebeurtenissen plaatsvonden
waarover nu nog, als een soort legende, in Oude Pekela gesproken wordt.
Naar aanleiding van acties rond de stakingen in de werkverschaffing en de onrust
daaromheen, was een demonstratie- en spreekverbod uitgevaardigd in de gemeente
Oude Pekela. Maar Eppo had nog voor niemand zijn mond gehouden en deed het
ook nu niet. Toen de plaatsélijke veldwachter hem wilde arresteren omdat hij een
groep demonstranten toesprak, bleek dat niet te kunnen, omdat hij zijn rede vanuit
een (particuliere) tuin hield. Een ander moment werd een oude praam van een boer
gepakt en liet men Eppo daarmee het diep bevaren, terwijl hij zijn toespraak hield.

werklozen
Oude Pekela 1933. Er wordt een nieuwe weg en sportterrein aangelegd door werklozen.
sportveld
Oude Pekela. Aanleg sportveld.

Dit kon, want het Pekelder Hoofddiep was rijks water. Een verhaal dat nog met genoegen wordt verteld is de toespraak die hij van bovenuit een boom hield, terwijl de veldwachter onder de boom riep dat hij er uit moest komen.
Toch ontsprong Eppo de dans niet. In juli 1934 werd hij wegens herhaaldelijke overtredingen van de politieverordening voor acht dagen in hechtenis genomen.

De voorzitter van de raad hield Orsel meer en meer kort, en Eppo moest steeds meer
ervaren dat de burgemeester hem het woord niet gaf of weigerde een vraag in
behandeling te nemen. Zo weigerde de voorzitter op 19 december 1932 een vraag over verbod van een demonstratie in behandeling te nemen. Vragen over de behandeling van
arbeiders binnen de werkverschaffing kwamen niet op de agenda. Dit was een
terugkerend patroon. Elk voorstel dat Orsel, en na 1935 het tweede communistisch raadslid Baas, op de agenda plaatste werd afgestemd. Soms kreeg hij steun van enkele
sociaal-democratische raadsleden, met name van Hummel, maar dat was niet
voldoende om een voorstel aangenomen te krijgen.
Het college van B en W stelde zich meestal zeer formeel op en motiveerde de
afwijzing van de voorstellen-Orsel op aanwijzingen van de regering, in de sfeer
van: het college wil wel, maar Gedeputeerde Staten of de Minister…

Dit plaatste Eppo Orsel in een geïsoleerde positie binnen de raad.
De positie van communisten was moeilijk in die tijd.

Samenwerking met sociaaldemocraten was bijna onmogelijk.
Nu lag dat niet geheel aan de sociaal-democraten:

zij werden door communisten bij voorkeur als sociaal-fascisten aangeduid en werden gezien als handlangers van de bourgeoisie. Communisten hadden te maken met de warme belangstelling van de politie, verbod van demonstratie, zaalafdrijving, huiszoekingen en allerlei kleine pesterijtjes en intimidaties.
De kracht van Eppo Orsel lag niet slechts in het raadswerk, maar vooral in de combinatie van acties binnen én buiten de gemeenteraad. Zijn inzet voor de arbeiders binnen de werkverschaffing ging zover, dat hij zijn werk opgaf om met hen samen te kunnen werken:

‘Wij hadden strijd in de werkverschaffing. Toen was hij (Orsel) nog op de fabriek.
En toen kwamen wij met klachten bij ons gemeenteraadslid, al die mensen.
Toen zei hij: “Jongens, ik ken jullie omstandigheden niet, want ik zit op de fabriek.
Maar weetje wat? Ik neem ontslag en ik ga met jullie in de werkverschaffing.
Dan kan  ik jullie situatie eens bekijken, hoe of wat.
” Zo was dat. En die ging met ons naar de werkverschaffing. Die gooide zijn broodje weg en ging met ons naar de werkverschaffing. “

Vanuit die positie, zelf werkend binnen de werkverschaffing, gaf Orsel leiding aan acties en wist hij toch het een en ander aan verbeteringen los te krijgen.

Volksfront

Rond 1936 veranderde de CPN van koers. Men onderkende het groeiend fascistisch gevaar en besloot samenwerking te zoeken met sociaal-democraten en burgerlijke groeperingen met de bedoeling om tot een anti-fascistisch front te komen.
Ook Eppo ging met deze politieke wijziging mee. Dat leverde het wonderbaarlijk tafereel op van een Orsel die waarderende woorden had voor zijn sociaaldemocratische
tegenstanders en zelfs voor het Bijzonder Onderwijs. In de raadsvergadering van 4 november besloot hij het debat zelfs met een beminnelijk woord!

Eppo was echter niet de man voor een rollenspel. In de raadsvergadering van 19 december 1936 maakte hij nog een keer duidelijk waar hij stond.
Aan de orde was de vergoeding voor Bijzondere scholen. Doorgaans was hij principieel tegen elke financiële ondersteuning van het bijzonder onderwijs. Hij wenst niet mee te werken aan de verspreiding van opium, zoals hij eens zei. Maar nu reageerde hij nauwelijks. Tot hij toch nog het woord vroeg. De voorzitter verklaarde dat hij verwonderd was dat Orsel niet eerder reageerde maar gaf hem het woord.

Orsel verklaarde: ‘Er zijn nu nieuwe problemen gekomen. Het moet nu gaan tegen het fascisme en het is nodig alle democratische volksgroepen tegen dat fascisme te mobiliseren. Want komt het fascisme aan de macht, dan zal het hier zowel de christelijke als de moderne arbeidersbeweging vernietigen. De Communistische Partij heeft zich altijd schrap gezet tegen de onderwijspacificatie en tegen het geloof. De communisten hebben over die dingen nog steeds dezelfde opvattingen. Maar belangrijker is dat andere, dat uit de nood van de omstandigheden is opgekomen: de massale strijd tegen het fascisme, opdat de arbeiders hun vrijheid behouden!’
De heer Stuut constateerde dat de heer Orsel zijn principes niet camoufleerde.
De heer Orsel: ‘Dat heb ik nooit gedaan!’

Dit was één der laatste raadsvergaderingen die Eppo Orsel bij woonde. Op 13 april
1937 werd hij opgevolgd door partijgenoot Schrik. Vanaf dat moment werd het in
de gemeenteraad van Oude Pekela heel wat rustiger.

Eppo verliet de gemeenteraad om privé-redenen. Hem was bij de fabriek waar hij
toen werkte een woning aangeboden, die hij vrij van huur kon betrekken. Onder één
voorwaarde: hij moest breken met de CPN. Dat was voor Eppo teveel gevraagd.
Hij weigerde het aanbod. Vervolgens kreeg hij zijn ontslag en raakte werkloos. Dit
gaf problemen binnen zijn gezin, dat toch al zoveel voor de goede zaak had moeten
laten. De familie vertrok naar Rotterdam waar Orsel werk kon vinden.

reuzenkrentebrood
Van links naar rechts Nanko Bos, Herman van der Laan, Hendrik Vosdingh,
Eppo Orsel, Arie de Keijzer, Marinus Drent en Willem Kuiper.
Ter gelegenheid van de geboorte van zijn zoon werd Eppo dit reuzenkrentebrood aangeboden.
Op dit brood staat: ‘Ter eere van de jonge bolsjewist’.

Eppo bleef zichzelf trouw. Na het begin van de oorlog, waar hij het bombardement op Rotterdam meemaakte, raakte hij in illegale activiteiten verwikkeld.
De mensen, met wie hij contact had, werden gearresteerd en Eppo vond het beter om te verdwijnen. Zo keerde hij in 1942 terug naar Oude Pekela, waar hij huisvesting vond in een praam in het Pekelder Diep.

27 maart 1945, enkele weken voor de bevrijding, is hij op tragische wijze gestorven.
Rond de dertiende maart bracht hij met zijn zoon Rieks een schuit met stro naar Ceres.
In de sluis viel Eppo overboord, maar koppig als hij was werkte hij in zijn natte plunje door. Thuisgekomen werd hij ziek. Zijn val overboord had hem een dubbele longontsteking opgeleverd. Het was aan het eind van de oorlog, medicijnen waren er niet en hoewel dokter Boswijk deed wat hij kon, was Eppo niet te redden.
Zo kwam, op 43-jarige leeftijd, een eind aan het leven van een man die door een tijdgenoot werd gekenschetst als een wilde, woeste man met een groot hart.

%d bloggers liken dit: