Andries Heero van Bergen II (klokkengieter)


In 1842 verhuisde het gezin naar Groningen. Ze kochten buiten het kleine poortje een
huis met tuin (later de Merwedestraat). Het huis in Midwolda werd verkocht en de
werkplaats afgebroken. Op dat moment hadden Udo Andries van Bergen en Grietje
Berends Kroon vier kinderen waarvan Andries Heero II de oudste zoon was.
In Groningen werd een nieuwe werkplaats ingericht en Udo werkte daar met
l
á 2  knechten. Udo kreeg o.a. opdracht van de gemeente Groningen om twee nieuwe
brandspuiten te leveren en de aanwezige oude spuiten te repareren. Hij kwam een aantal
afspraken niet na en het gevolg was dat reeds in 1844 al zijn bezittingen bij executie
verkocht werden.

Udo keerde terug naar Midwolda, huurde een woning en ging bij zijn vader werken als
knecht. Andries Heeres I regelde veel voor het gezin van zijn zoon. Na diens overlijden
in 1847 kocht Heero Andries uit Stiekelkamperfehn het ouderlijk huis en de werkplaats voor 800 gulden en verhuurde het aan aan zijn broer Udo Andries, die daar met zijn
gezin ging wonen. Er waren toen zeven kinderen. Vader Udo dronk nog steeds veel en
maakte schulden. De kinderen hadden hier erg onder te lijden. Uit vrees dat schuldeisers
beslag op hun goederen lieten leggen, kon Udo een poos niet onder eigen naam werken
en ging daarom enige tijd onder de naam van zijn broer Heero te Stiekelkamperfehn
klokken gieten. Dit werd in 1849 beëindigd omdat Heero vreesde hierdoor ook
problemen of schulden te krijgen. Na het overlijden in 1852 van Heero Andries in
Stiekelkamperfehn werd de familie gedwongen het huis, dat zij in vruchtgebruik had,
te verlaten zodat de woning openbaar verkocht of verhuurd kon worden. Dit werd
hoofdzakelijk doorgedrukt door de zwager van Udo Andries. Laurens Elzinga. die ook
als klokkengieter werkzaam was en op deze wijze zijn concurrent wou uitschakelen.

Een jaar lang bestond de vrees dat de familie uit woning gezet zou worden. Tenslotte
werd onder protest overeengekomen dat de woning verhuurd kon worden, zodat het
voor de familie Udo van Bergen mogelijk was in het huis te blijven wonen. Grietje
Berends Kroon overleed op 9 januari 1869 in Heiligerlee en Udo Andries van Bergen
overleed op 79-jarige leeftijd op 15 januari 1879 in Winschoten. Tot 2 november 1862
was hij nog in dienst geweest bij zijn zoon Andries Heero II.

handtekeningen van Claudi Fremy en Udo Andries van Bergen
handtekeningen van Claudi Fremy en Udo Andries van Bergen

Andries Heero van Bergen II, klokkengieter in Midwolda en Loyerberg

Het gezin waarin Andries Heero II opgroeide, was arm. Hij vertoefde op jeugdige
leeftijd veel bij zijn grootvader en leerde zo al vroeg “spelenderwijs” het vak. Toen
grootvader overleed schreef Andries over hem: “De goede oude man had 78 jaaren
ouderdom bereikt, had zich een waardig naam verbreid en blijft een roem voor ’t
nageslacht. Zijn stoffelijk overschot wordt begraven naast zijn vrouw en moge dat
plekje tot herinnnering zorgvuldig bewaard blijven ik zal het huldigen zoo lank ik leef
en heb zelfs met kinderlijk bewustzijn zijn overschot grafwaarts geleid”.

Andries Heero van Bergen, geboren 1 maart 1835 in Midwolda op , ging op jonge
leeftijd al met zijn vader mee voor het gieten van klokken en andere werkzaamheden.
Op 13-jarige leeftijd goot hij samen met zijn vader zijn eerste klok voor Niezijl. Het
daaropvolgende jaar 1849 werden er drie klokken gegoten, voor Elslo. Obergum en
Hei veen bij Meppel. In 1850 ging Andries op reis om opdrachten aan te nemen. Hij goot
de klokken alleen en leverde onder zijn eigen naam.

Als 15-jarige jongen had Andries Heero het tamelijk moeilijk. Het gezin leefde
grotendeels van zijn inkomsten en moest verder met geleend geld rondkomen. Om toch
zoveel mogelijk geld te verdienen repareerde Andries brandspuiten, maakte balansen,
tafelbellen, strijkbouten etc. Hij ventte er zelfs mee langs huizen. Daarnaast had hij
ongeveer 15 spint grond in huur waarop groente verbouwd werd.

In 1853 kreeg hij, op 18-jarige leeftijd, het bedrijf op zijn naam. Rond 1855 liet hij de
eerste circulaire drukken en verstuurde die door heel Nederland. Dit had als resultaat
een opdracht voor het leveren van twee klokken voor de rooms-katholieke kerk in
Beugen (Noord-Brabant). De beide klokken gingen per beurtschip van Groningen naar
Nijmegen, zelf reisde hij per diligence. In Nijmegen werden de klokken op een kar
geladen en naar Beugen getransporteerd. Na aflevering wou hij zo spoedig mogelijk
weer terug, maar de financiële afwikkeling verliep wat moeilijk. Hij bleef nog een nacht
en reisde pas de volgende dag terug naar Groningen. In de stad had hij het geluk om vier
grote koperen kerkkronen te kunnen kopen, die 20 joden gezamenlijk hadden gekocht
van de A-kerk. De koop werd op zaterdag gesloten en de kronen werden de volgende
dag aan boord van een schip gebracht. Door de vorst en het vele ijs kwam het schip
echter niet verder dan Zuidbroek, zodat Andries de kronen met paard en wagen uit
Zuidbroek moest halen. Het metaal smolt hij om en gebruikte het voor de klokken van
Kleinmeer, Woldendorp en Dongen bij Breda, die aan het eind van 1855 afgeleverd
werden.

In 1856 ondernam Andries Heero II voor het eerst een reis naar Duitsland. Hij ging via
Cloppenburg naar Oldenburg en daarna naar het naburige Neuenbrock. Hier nam hij de
opdracht voor twee klokken aan, die in de directe nabijheid gegoten moesten worden.
Andries Heero kon redelijk Duits spreken, maar hij kon het niet schrijven. Met hulp van
de gemeenteontvanger en de pastoor werd een door Andries Heero geschreven contract
in het Duits opgesteld. De goedkeuring van het contract door de “Oberkirchenrath” van
Oldenburg werd gedwarsboomd door zijn concurrenten Andreas van Bergen en Claudi
Fremy. Zij schreven een brief naar Oldenburg om Andries Heero in een kwaad daglicht
te zetten. Zij stelden in de brief dat Andries Heero onbetrouwbaar was en dat hij zijn
afspraken niet nakwam en het klokkengietersvak niet verstond. Hiervan kreeg Andries
Heero II, die zich op dat moment in Midwolda bevond, een afschrift. Terstond reisde
hij af naar Neuenbrock om de aantijgingen te weerleggen met schriftelijke verklaringen
van verschillende kerkbesturen uit plaatsen aan welke hij klokken had geleverd. Hij
kreeg steun van de “Kirchenvorstand” van Neuenbrock die de volgende dag samen met
Andries op vier wagens naar Oldenburg reden om hem bij de “Oberkirchenrath” te
ondersteunen. In Oldenburg konden zij de “Oberkirchenrath” overtuigen van de slechte
bedoelingen van Andreas van Bergen en Claudi Fremy, zodat Andries Heero de order
voor het gieten van de twee klokken toch kreeg.

Wirthshau
Wirthshau

Joh. Tanne’s “Wirthshaus” in Loyerberg bij Oldenburg. De oude herberg werd in 1900
afgebroken. Op een een balk boven de deur stond de volgende spreuk vermeld: “Gieb was uns nützt an Seel und Leib, Was scheidlich ist, fern von uns treib. ”
Andries Heeres II had vlakbij de herberg, waar hij in de kost was, een kleine werkplaats dat als klokkengieterij diende. Hij goot hier van 1856 tot 1860 vijftien klokken voor de volgende plaatsen: twee klokken voor Neuenbrock (1856), twee voor Vinnen (1857), Plantlunne bij Lingen, Tollen bij Meppen, Oldorf bij Jever (1858), twee voor Varel, Schwei, Vreesebij Werrelte (1959), Stotel bei Bremen (1860), nogmaals Vreese en twee voor Oyten bij Achim. Bovenstaande foto kreeg Andries Heero II van de familie Joh. Tanne die hem in augustus 1903 op zijn havezate in Oosterbroek bezochten.

De “Kirchenvorstand” en Andries II keerden ’s avonds in feestelijke stemming op hun wagens weer naar Neuenbrock terug.
Na deze ervaring beconcurreerde Andries Heero II zijn Duitse collega’s fel, met gevolg
dat hij de levering van klokken voor Arle en Deedesdorf binnensleepte. Hiervoor
hadden Andreas en Claudi de contracten al binnen. Deze werden nietig verklaard zodat
Andries II de klokken kon leveren. Hij was hiermee een geduchte tegenstander van de
klokkengieters uit Stiekelkamperfehn en Burhafe geworden.

Om de klokken voor Duitsland te gieten raapte hij 125 kilo metaal en zijn gereedschap
bij elkaar, kocht een paard met gereide voor 225 gulden en een oude wagen en vertrok
naar Loyerberg om de klokken voor Neuenbrock te gieten. Ter plekke had hij op enige
meters afstand van de herberg, waar hij in de kost was, een stukje grond gehuurd waarop
hij een kleine werkplaats bouwde. Die diende als klokkengieterij waar vanaf 1856 tot
1861 enige klokken gegoten werden door Andries Heero van Bergen.

In 1858 voegde in het Duitse Oldorf de jonge Mammeus Fremy, geboren op 27 april
1835, zich bij Andries Heero II. Diens vader Claudi Fremy werkte samen met Andreas
van Bergen te Stiekelkamperfehn. Andries Heero en Mammeus werden compagnons
en samen werkten zij in Loyerberg aan de klokken voor Oldorf en Varel. Andries Heero
vertrouwde Mammeus in het begin niet helemaal, omdat het toch een zoon van zijn
concurrent was. Er ging bij het gieten van de klokken vaak iets mis. maar toch bleven
ze samenwerken.

Andries was veel op reis. Nu eens zat hij in Duitsland, dan weer was hij op reis door
Nederland en steeds weer haalde hij opdrachten binnen om klokken te gieten.
Hij kreeg vanaf 1860 zoveel opdrachten vanuit Duitsland dat hij het niet meer alleen
af kon. Zijn concurrenten drongen al veel langer aan om samen te werken, ondanks alle
problemen in het verleden. Op 7 december 1860 ging Andries Heero II een compagnonschap aan voor driejaar met zijn neef Andreas van Bergen uit Stiekelkamperfehn en Mammeus Fremy uit Burhafe voor alle reparaties en het gieten van klokken in Duitsland. De Nederlandse markt bleef voor Andries Heero II. Een andere concurrent was zijn oom Laurens Elzinga en diens zoon Jan Elzinga. Eigenlijk had hij niet veel van ze te duchten. Sedert 1852 goten ze af en toe een klok die vaak grof en slordig afgewerkt was. Andries bood zijn oom in 1861 zijn hulp aan om de klok van Finsterwolde om te gieten, omdat hij bang was dat door zulke onbekwame gieters ook zijn bedrijf een
slechte naam zouden krijgen. De klok van Finsterwolde was namelijk gebarsten en zou
vergoten moeten worden door Elzinga, die destijds in Winschoten woonde. De
gemeente had eerder Andries 800 gulden geboden om de klok om te gieten maar die
wilde er 840 hebben. De kerkgemeente week daarom uit naar Elzinga die het voor 600
gulden deed. Elzinga begon op 5 september 1861 met gieten. Hij smolt 1 1/2 uur lang,
maar het metaal was nog niet goed vloeibaar, zodat hij het i.p.v. in de vorm over de
grond liet lopen. Bij zijn tweede poging bood Andries hem weer aan mee te helpen.
Deze keer nam Elzinga het aanbod aan. Na het metaal lang te hebben gesmolten lukte
het. De klok werd door Elzinga zelf afgeleverd.

De klokkengieterij Sint Paulinus in Heiligerlee

De behoefte aan een grotere werkplaats bestond al geruime tijd. Gedurende zijn reizen
voor het leveren van klokken en brandspuiten had Andries Heero II al jaren uitgekeken
naar een geschikte plek. In 1861 begonnen de plannen vastere vormen aan te nemen.
Andries Heero ging rondkijken waar hij eventueel een grotere gieterij kon vestigen. De
werkplaats in Midwolda, waar zijn vader en grootvader hun klokken goten, was veel
te klein. Deze bestond eigenlijk uit niet meer dan een hut voor de klokkengieterij en een
oude lage schuur die als timmerwerkplaats diende en waar tevens paard en wagen
moesten staan. Als er een klok gegoten werd, moest eerst alles uit de schuur gehaald
worden. Ook de klokkengieterij in het Duitse Loyerberg vond Andries te klein.

Oorspronkelijk was hij van plan zich in Duitsland te vestigen en bezocht Keulen enige
dagen. Hij vond daar in de buurt een stuk land, geschikt voor een gieterij, maar de
grondprijs was te hoog en de kwaliteit van het zand in deze omgeving vond hij slecht.
Daarna besloot hij om in Nederland rond te kijken naar een geschikte plek. Zijn
voorkeur ging eerst uit naar Midwolda, tenslotte had zijn grootvader daar het bedrijf
opgebouwd en lagen zijn voetsporen er ook. Ook Arnhem, Overijssel, Twente en
omgeving waren in zijn gedachten, maar om verschillende redenen ging dit niet door.
Toen viel zijn oog op Winschoten. Tussen Winschoten en Heiligerlee aan de Grindweg
ter hoogte van de Hessenbril vond hij een geschikte plek voor zijn fabriek. Het stuk
grond was gelegen aan het Winschoterdiep. zodat zijn produkten per schip verstuurd
konden worden. Hij deed een poging een bunder land te kopen maar hij kon met de
eigenaresse omtrent de prijs niet tot overeenstemming komen. In dezelfde tijd stond er
een huis te koop in Heiligerlee. Dit was eigendom van de failliete tapper en koopman
in koloniale waren en manufacturen Ebo Boelens. Het was wel iets verder van het
Winschoterdiep verwijderd, maar op de openbare verkoping van 4 november 1861
kocht Andries het toch voor 2425 gulden.

Afbeelding 1863 klokkengieterij
Afbeelding 1863 klokkengieterij

Afbeelding uit 1863 van de nieuwe klokkengieterij in Heiligerlee.

Hij tekende, zonder verdere hulp, de ontwerpen voor de nieuw te bouwen fabriek. Het
was vooral belangrijk dat er een grote gietkuil zou komen, zodat meerdere en grotere
klokken tegelijk konden worden  gegoten. De fabriek moest naast de woning komen en het land werd hiervoor bouwrijp gemaakt. In december kocht hij van een steenfabriek in Heiligerlee de benodigde stenen. De timmerman Luppo Jurrien Holtman uit Midwolda had de bouw van de fabriek aangenomen en werd door Andries in dagloon betaald. De overige knechten die nodig waren om het bouwwerk te voltooien nam hij zelf aan.

Met het bouwen van de fabriek werd op 7 mei 1862 begonnen en op 31 mei was de
fabriek reeds met pannen bedekt, zodat de bouw op 24 juli al grotendeels klaar was. De
totale kosten van de nieuwe fabriek kwamen op 2940 gulden en 40 cent. De dag waarop
men met de bouw van de fabriek begon, verhuisde Andries met zijn beide broers Berend
en Heero naar Heiligerlee. Zijn ouders bleven in Midwolda. Nadat de fabriek gereed
was, moest er ook een nieuw woonhuis komen. Dat viel een behoorlijk stuk duurder uit
dan de fabriek. Het oude huis werd afgebroken en voor een bedrag van 3226 gulden en
24 cent werd een nieuwe behuizing gebouwd. Deze kwam eind 1862 ook gereed.

andries heero van bergen
andries heero van bergen

Andries Heero van Bergen 11(1835-1913).
Hij blies in zijn jonge jaren de klokkengieterij in Midwolda weer nieuw leven in.
Later stichtte hij in Heiligerlee een klokkengieterij en een uurwerken- en
brandspuitenfabriek. Hij trok zich in 1893 uit het bedrijf terug en

woonde de rest van zijn leven op een landgoed in Oosterbroek.

Inmiddels was Andries Heero II getrouwd. Op 21 januari 1862 leerde hij Jantje Jurrien
Voorthuis kennen. Door familie- omstandigheden moest zij op 9 februari noodgedwongen
haar ouderlijke woning verlaten en kwam bij Andries inwonen. Op 26 februari 1862 trouwde zij met Andries. Zij was geboren in Midwolda op 29 december 1831. Uit het huwelijk werden in Heiligerlee zes kinderen geboren:
vier dochters. Anna Jantina, Rikkemina Andrea. Grietje en Gepke Geessina en twee
zoons. Andries Heero III en Udo Jurrien. De twee zoons zouden later hun vader als klokkengieter en brandspuitenmaker opvolgen.
Op 25 april 1862 goot Andries Heero II de laatste twee klokken in zijn gieterij te
Midwolda. Ze werden op 19 juni naar hun bestemming in Lippenhuizen en Drachtstercompagnie gebracht. De aanwezige gereedschappen en andere
materialen werden van Midwolda naar Heiligerlee overgebracht. Ze kochten nog een
ponsmachine, bankschroef, koelbak, gewichten, smeltkroezen en leer voor een kleine blaasbalg. Verder een grote blaasbalg en twee paardevellen voor het bekleden van de blaasbalg. Deze werd gemaakt door een zadelmaker voor 34 gulden. Een ijzeren draaibank werd bij Prins in Hoogezand besteld voor 130 gulden. Het overige wat nog ontbrak maakte men in de nieuwe fabriek zelf.

De grote gietkuil in de nieuwe fabriek werd op 6 augustus 1862 in gebruik genomen.
Niet voor het gieten van een klok maar voor het maken van grote onderdelen voor de
nieuwe sluis voor de pas ingedijkte Reiderwolderpolder. Het zou nog meer dan een jaar
duren voor er klokken in de nieuwe fabriek gegoten zouden worden. Dit kwam door een
aantal andere werkzaamheden die voor moesten gaan, zoals de levering van onderdelen
voor de nieuwe sluis en het maken van nieuwe brandspuiten. Maar op 16 augustus 1863
werden er voor het eerst klokken gegoten in Heiligerlee. Het waren drie klokken voor
Zuidlaren, Stadskanaal en Leens. De klokkengieterij kreeg de naam St. Paulinus, die
op 17 juli 1863 op de toren in de voorgevel werd gezet en die er tot ongeveer 1910 is
blijven staan. Sint Paulinus, bisschop van Nola, die leefde van ca 353 tot 431, was
volgens een zeer oude overlevering de uitvinder van de klokgietkunst.

De daaropvolgende jaren ging het goed met Andries Heero II. Zo wist hij met de
gemeente Scheemda in 1862 een tweejarig contract te sluiten om de brandspuiten voor
de hele gemeente te onderhouden. Ook had hij twee klokken verzonden naar de Tweede
wereldtentoonstelling in Londen, waar beide werden bekroond. Een van deze klokken
kwam later in het torentje van de klokkengieterij te gehangen. Van Bergen verscheen
met zijn klokken veel op binnen- en buitenlandse tentoonstellingen, waar hij vele
gouden en zilveren medadailles verwierf. Zo waren bij een tentoonstelling in 1885 te
Antwerpen op de “Hollandsche afdeling” drie van zijn torenklokken te bewonderen.
Nieuw daarbij was dat bij het maken van de klok 30% metaal uitgespaard werd en de
toon toch dezelfde bleef. Op 30 december 1863 bezocht Andries Heero vroegere compagnon Mammeus Fremy  Heiligerlee om zijn nieuwe fabriek te bezichtigen. Andries Heero ging voor de laatste keer een compagnonschap met hem aan voor de levering van twee klokken voor het Duitse Backemoor bij Leer in 1866. Ze werden door Mammeus uitgevoerd. Naderhand goot Mammeus voor eigen rekening nog enige klokken. Hij oefende zijn beroep tot 1897 in Reepsholt uit, kocht toen een molen in Wittmund en werd molenaar. Hij overleed in januari 1927 op 92-jarige leeftijd te Varel.

Aan het eind van de zestiger jaren van de vorige eeuw begon Andries Heero II ook met
de fabricage van torenuurwerken. Voor die tijd werden er al aan torenuurwerken
onderhouden. Dat hield in dat men een uurwerk moest afkrabben, smeren en schoonmaken en in sommige gevallen ook repareren.
Andries Heero nam de uit Friesland afkomstige uurwerkmaker Hijlke Steenstra in 1868
in dienst. Het eerste torenuurwerk leverde van Bergen voor 500 gulden aan de gemeente
Holwijk in Zuid-Holland. Hijlke Steenstra keerde in 1881 terug naar Friesland, naar Sneek. Hessel Bloksma. ook uit Sneek afkomstig, kwam in datzelfde jaar naar Heiligerlee. Volgens familieoverlevering had Hessel Bloksma een uurwerkmakersbedrijf in Sneek dat failliet gegaan was. Een reiziger attendeerde hem erop dat ze bij Van Bergen in Heiligerlee een uurwerkmaker zochten. Hessel Bloksma ging er op af en werd aangenomen.

Met zijn gezin, bestaande uit zijn vrouw Rinske de Vries en vier kinderen, waarvan de jongste pas twee maanden was, vertrok hij meteen zeilschip naar Heiligerlee.
Hij begon op 6 december 1869 voor 6 gulden in de week. Dit werd op 8 april 1871 voor de zomerperiode, omdat er dan langer gewerkt werd, verhoogd naar 6 gulden  en 30 cent, ’s Winters verlaagde men het weer naar 6 gulden. Toen men Bloksma als uurwerkmaker aannam, had men hem een woning beloofd, maar deze kreeg hij pas ruim een jaar later.
Hij moest daarom tijdelijk in de tegenover de fabriek liggende steenfabriek wonen,
waar Andries inmiddels ook eigenaar van was geworden. Het gezin Bloksma
leefde zolang naast de brandoven van de steenfabriek dat vooral in de winter van
1869- 1870 zeer aangenaam was. Hessel Bloksma overleed in 1890.
Een van zijn zoons, Romke, die eerst uurwerkmaker was, werd later een bekend klokkengieter binnen het bedrijf van Van Bergen.

Het personeel van de fabriek in Heiligerlee

Voordat Andries Heero II naar Heiligerlee vertrok had hij, evenals zijn voorgangers, vrijwel nooit knechten of arbeiders in dienst. Daar kwam vanaf 1862 geleidelijk verandering in. In de fabriek werkte het personeel op verschillende afdelingen. In de gieterij werd gewerkt aan klokken, scheepsbellen en andere soorten kleine bellen. Daarnaast werkte men o.a. aan onderdelen voor machines, verdeelkasten en stoomwal zen. Ook werden er veel scheepsschroeven gemaakt. In de smederij was men bezig met het maken van o.a. klokkestoelen voorde klokken en in de draaierij werkten bankwerkers aan onderdelen voor brandweerwagens en verrichtten werkzaamheden voor de gieterij. Timmerlieden waren bezig met het maken van houten modellen, onderdelen voor brandweerwagens, mallen en stokken- en pianoklavieren voor de bediening van carillons. Brandweerwagens werden weer in andere afdelingen gemaakt.

personeel van Van Bergen
personeel van Van Bergen

Het personeel van Van Bergen tijdens een reis.
De foto werd genomen aan het begin van de jaren vijftig.

De eerste werknemer kwam op 7 september 1862 in dienst bij Van Bergen.
Dat was Wietse de Jong, van beroep geel- of kopergieter. Hij verdiende ’s winters 4 gulden en zomers, door langere werkdagen, 5 gulden per week. Op 2 januari 1887 ontving Wietse de Jong (bijgenaamd Wietse “de bult”, omdat hij met gekromde rug liep) een rijkspostspaarbankboekje met daarop 25 gulden voor het feit dat hij 25 jaar bij het bedrijf werkte. Het aantal werknemers groeide in 1866 naar zes. Ze werkten samen met de gebroeders Andries II, Berend en Heero Andries van Bergen in de fabriek. Van
de eerste werknemers zijn de volgende bijzonderheden bekend. Barteld Molanus kwam op 3 december 1864 als timmerman bij Van Bergen in dienst. Hij werkte ’s zomers van ‘s morgens vijf tot ’s avonds zeven uur en ’s winters begon hij wanneer het licht was en stopte wanneer het donker werd. Hij overleed op 4 juli 1867  ’s morgens om tien uur tijdens het werk en werd opgevolgd door Harm Klap. Een zekere Rademaker, die ijzersmid was, kwam op 23 oktober 1865 bij Van Bergen werken. Hij verdiende ’s winters 5 en zomers 6 gulden in de week en op feestdagen kreeg hij 25 cent extra.

In de jaren negentig van de vorige eeuw varieerde het aantal werknemers van 20 tot 30.
Tot na de tweede wereldoorlog bleef het aantal werknemers vrijwel gelijk, met uitzondering van de periode vlak na de tweede wereldoorlog.

In 1871 vertrokken Andries’ beide broers Berend en Hero na onenigheid naar
Midwolda en richtten daar hun eigen klokkengieterij annex brandspuitenfabriek op.
De klokkengieterij in Heiligerlee kreeg steeds meer bekendheid, vooral door steevaste
aanwezigheid op diverse tentoonstellingen van uiteenlopende aard, zoals de wereldtentoonstellingen in Wenen, Londen. Philadelphia, Parijs, Amsterdam en Antwerpen. Door de afzet van torenuurwerken en verbeterde brandspuiten draaide de fabriek zeer goed. De afdeling brandspuiten van het bedrijf werd steeds belangrijker en bleef tot de sluiting van het bedrijf in 1980 altijd een belangrijk onderdeel van de werkzaamheden van de klokkengietersfamilie.

afbeelding klokkengieterij 1880
afbeelding klokkengieterij 1880

Afbeelding ca. 1880 van klokkengieterij en woonhuis met daartussen de brandspuitenwerkplaats.

Andries Heero II trok zich in 1891 terug uit het bedrijf. Op 16 oktober 1893 droeg hij
zijn goed draaiend bedrijf, het huis en 5 arbeiderswoningen (in de ’*Krim’* naast de
fabriek gelegen) over aan zijn beide zoons. Andries Heero III en Udo Jurrien.

Voor 15000 gulden. Andries Heero II was 31 jaar eigenaar geweest van de fabriek en had
vanaf 1862; 170 klokken: 60 uurwerken en 200 brandspuiten geleverd. In mei 1891 kocht hij een huis in de Blijhamsterstraat in Winschoten en verhuisde daarheen.

Zijn vrouw Jantje Jurrien was inmiddels op 4 april 1882 in Heiligerlee gestorven.
Hij bleef in Winschoten wonen tot 1896. Daarna verhuisde hij naar Oosterbroek in de gemeente Eelde. Daar kocht hij bij onderhandse akte van 1 maart 1895 een havezate.
Hij liet het landgoed verbeteren en uitbreiden door er landerijen en een straatweg bij te kopen. Hij rentenierde er tot het einde van zijn leven.

Andries Heero II overleed te Oosterbroek op 18 september 1913.
Hij werd begraven naast zijn vrouw op de begraafplaats te Westerlee.
Op het graf kw am een door hemzelf ontworpen monument in de directe nabijheid van de kerk. Het opschrift luidt:
DEN HEER A.H. VAN BERGEN/ FABRIEKANT/ WAS STICHTER VAN DE/KLOKKENGIETRIJ 1862/ EN EIGENAAR/ DER STEENFABRIEKEN/ TE HEILIGERLEE/ GEB. TE MIDWOLDA/ 1 MAART 1835/ OVERL. OP DEN HUIZE/ HAVEZATHE OOSTERBROEK/ GEM. EELDE/ 18 SEPT. 1913.

De inwoners van Heiligerlee gingen sinds mensenheugenis naar de kerk in Westerlee.
maar kregen aan het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw een eigen kapel in
Heiligerlee. Het evangelisatiegebouwtje had echter geen toren en geen klok. Andries
Heero II schonk de kapel van Heiligerlee toen een toren en een klok die gegoten werd door zijn zoons Udo en Andries. Deze werd aan het eind van 1901 in gebruik genomen.
Voor deze plechtigheid was de predikant J.C.Montijn uit Groningen overgekomen en
uit de toren hing de nationale driekleur. Andries Heero II. de schenker van de klok, was
ook aanwezig. De klok had een doorsnee van 59 cm en was voorzien van salieblaadjes. Het opschrift luidde: “GESCHENK VAN A. H. VAN BERGEN SENIOR GEGOTEN DOOR A. H. VAN BERGEN/ TOEN KERKBESTUUR WAS TE HEILIGERLEE: Hm. TIMMER E. TELKAMP Ho. TIMMER/ D. HENSENS A. BRONS Hen. BRONS/ B. KUIPER K. VAN DER HOEK EVANG. ”

In 1943 werd deze klok door de Duitse bezetters geroofd en later niet terug gegeven.
Daarom schonken Andries’ kleinzoons na de oorlog opnieuw een klok aan de kerk.

De klokkengieterij Concordia in Midwolda

De twee broers van Andries Heero II, Berend en Heero Andries, keerden in 1871 van Heiligerlee terug naar Midwolda. De oorzaak was onenigheid met hun ruim tien jaar
oudere broer. De oudste, Berend van Bergen, geboren op  de eerste keer te Midwolda op 15 februari Wenniger. Adriaantje van Cingel. geboren op 7 augustus 1833 in Scheemda. Zij overleed op 22 juni 1880 en Berend hertrouwde op 4 mei 1883 in Midwolda met Jantje Kok, die op 9 november 1861 in Midwolda was geboren. Zij kregen elf kinderen, waarvan
Udo Andries II en Jacobus later het bedrijf zouden overnemen.
Heero Andries, genoemd naar zijn oom Heero uit Stiekelkamperfehn, werd geboren
te Midwolda op 14 februari 1846. Hij trouwde aldaar op 19 december 1878 met Martha
Muntinga, geboren op 6 januari 1853 in Westerlee. Dit huwelijk bleef kinderloos.

berend van bergen
berend van bergen

Berend van Bergen (1844 – 1908). Hij was eerst klokkengieter bij zijn broer
Andries Heero II in Midwolda. Hij vertrok daarna in 1863 met zijn broer naar Heiligerlee.
Later richtte hij samen met zijn broer Heero Andries in 1871 opnieuw een klokkengieterij in Midwolda op.

Omdat hun oudere broer Andries Heero II in de vijftiger jaren van de vorige eeuw goed
verdiende, liet hij zijn beide broertjes zoveel mogelijk leren. De kosten hiervan betaalde
Andries Heero volledig uit eigen zak. Hun ouders hadden de financiële middelen niet
om alles te bekostigen. Heero Andries volgde tot 1860 de lagere school en ging
vervolgens naar het gymnasium om uitgebreid talen te leren. Hij leerde tevens viool
spelen. “Broertje Berend”, zo schreef Andries in zijn aantekeningen, “had meer moeite
met leren. Hij doorloopt het lager onderwijs en gaat dan meehelpen in de gieterij,
’s Avonds volgt hij de Avondschool”. Berend ging ook enige malen mee naar Loyerberg
om daar klokken te gieten. De eerst keer dat Berend meeging was in 1859, toen ze voor
Vrees, in Munsterland, en voor Schwei klokken moesten gieten. Bij het vormen van de
klokken werden beide broers ziek, ze hadden hoge koorts. Berend was er zo erg aan toe
dat Andries hem naar huis stuurde en zelf, ook behoorlijk ziek, de klokken afwerkte en
afleverde. Berend en Heero Andries verhuisden samen met hun broer Andries Heero II in 1862 naar Heiligerlee. Berend, die in Heiligerlee bij Andries een jaarloon van 55 gulden
verdiende, vertrok op 8 augustus 1864 voor enige maanden naar zijn neef Andreas van
Bergen in Stiekelkamperfehn. omdat hij bij zijn broer te weinig verdiende. Na zijn
terugkeer op 25 december 1864 werd zijn jaarloon verhoogd naar 70 gulden.
Heero Andries kwam in augustus 1864 bij Andries in dienst.

klokkengieterij
klokkengieterij

De klokkengieterij van Berend en Heero Andries van Bergen omstreeks 1880.
Aan de rechterkant is het woonhuis en links en het achter liggende gedeelte de klokkengieterij. Voordat de familie Van Bergen in 1862 naar Heiligerlee vertrok woonden zij aan de Hoofdweg (190) in Midwolda. Toen Berend en Heero Andries van Bergen in 1871 terugkeerden, kochten zij de schilderswerkplaats van hun zwager Harmannus Herenius.
Deze was gehuwd met Rikkemina van Bergen. Hier bouwden zij hun nieuwe klokkengieterij annex brandspuitenfabriek. De voormalige klokkengieterij aan de Hoofdweg (122,124,126) in Midwolda is aan het middelste gedeelte van de gevel nog de voormalige klokkengieterij te herkennen.