Het Groningen Boek


frontcover
Frontcover
backcover
Backcover

land_en_water
Land en Water

De familie Louwes uit de Westpolder poseert in 1955 bij de dijk die het water van de Lauwerszee moest weren. Veertien jaar later was deze waterkering overbodig geworden: de Lauwerszee werd in 1969 Lauwersmeer en vormt sindsdien geen bedreiging meer
voor het achterland.

familie
De familie Louwes uit de Westpolder…

Land en water, en vooral de wisselwerking tussen beide, hebben de huidige vorm van de provincie bepaald. De inwoners hebben daarin een belangrijke rol gespeeld.
Gunstige landschappelijke factoren vormden een eerste reden voor vestiging op een bepaalde plek, daarna werd de omgeving al gauw naar eigen hand gezet.
Uit het land is dan ook de geschiedenis van het menselijk bestaan in
vroeger eeuwen af te lezen.

Geen enkele provincie in Nederland heeft zoveel diversiteit in landschap als Groningen.
Het Zuidelijk Westerkwartier – gelegen in het zuidwesten – heeft met zijn zandruggen en houtsingels langs de langgerekte ontgonnen veenpercelen een besloten karakter.
Het op de klei gelegen Hogeland kenmerkt zich juist door zijn weidsheid, waarin de wierden en dijken de enige verhogingen zijn.

De meest uitgestrekte polders liggen in het goeddeels op de Dollard heroverde Oldambt. Tot slot doet Westerwolde in het zuidoosten van de provincie haast ‘Drents’ aan met zijn esgehuchten, bossen en meanderende beekjes. Op de grens van de twee laatste gebieden liggen de Veenkoloniën met hun rechte kanalen en langgerekte lintdorpen.

zoutkamp
de Zoutkamper vissersvloot…

Het Groninger landschap verandert nog steeds.
Grote ingrepen zorgden de afgelopen decennia voor veel emotie.
De afsluiting van de Lauwerszee zorgde weliswaar voor veiligheid,
en op termijn ook voor een gewaardeerd natuurgebied, maar de Zoutkamper vissersvloot moest in 1969 gedwongen uitwijken naar de nieuwe haven Lauwersoog. En wat te denken van Blauwestad? Ingepolderde landbouwgronden zijn in het Oldambt weer onder water
gezet. De eerste plannen daartoe leidden in 1993 in The New York Times zelfs tot de kop ‘Dutch Do the Unthinkable: Sea Is Let In’.

Alpinisten kunnen Groningen beter links laten liggen.
Het hoogste punt van de provincie ligt op 14,2 meter boven NAR De Hasseberg, 2 kilometer ten oosten van Sellingen is een keileemopduiking die eeuwenlang als een eiland in het omringende veenlandschap lag. Ze viel vroeger des te meer op, omdat de berg toen met bomen begroeid was. Even achter de ’top’ ligt de Duitse grens.

hasseberg
Hasseberg…

Hunebedden worden vooral geassocieerd met Drenthe, en omgekeerd. Maar de provincie
Groningen heeft er ook tenminste twee. De grafmonumenten van de eerste landbouwers,
die zo’n vijfduizend jaar oud zijn, raakten in de kuststrook echter eerst bedekt door zand,
later weer door klei. Zo bleef het ene Groninger hunebed bij Noordlaren bovengronds
bewaard, dat van Heveskes – tegenwoordig te zien in museum Aquariom in Delfzijl –
werd in 1984 onder meters zeeklei gevonden.

hunebed
Hunebed…

Het waren niet alleen natuurlijke ontwikkelingen die zorgden voor het verdwijnen van
de hunebedden. Vroeger werden de grote stenen ook opgeblazen, om gebruikt te worden
voor de bouw van kerken en huizen en de aanleg van verharde wegen. In het hunebed
van Noordlaren zijn nog boorgaten te zien, de sporen van een mislukte poging om het
met buskruit te laten springen.

Rond 600 voor Christus ontstond langs de Waddenkust een uitgestrekt kweldergebied
dat alleen onder water liep bij stormvloeden. De bewoners vestigden zich er op wierden:
kunstmatig woonheuvels die in de loop der eeuwen, door bemesting en het opwerpen
van nieuwe lagen aarde, steeds hoger werden. Op de hoge delen van de omringende
kwelders verbouwde de kustbevolking granen, oliehoudende zaden en duivenbonen.
Ook werd er vee geweid. Veel wierden zijn in de loop van de tijd verdwenen omdat ze
werden afgegraven. Omdat in de Middeleeuwen de kerk vaak op het hoogste punt werd
gebouwd, zijn de wierden daar gespaard gebleven.

In Saaksum is dat bijvoorbeeld nog goed te zien. De wierde besloeg hier, tot de afgraving rondom 1917, een oppervlak van circa 10 hectare. .

kerk
De Kerk vaak op het hoogste punt werd gebouwd…

wierdedorp
Voorbeeld wierdedorp met radiale verkaveling is Niehove.

Wierden worden op grond van hun verkavelingspatroon ruwweg ingedeeld in twee typen: ronde wierden met een radiale (straalsgewijze) verkaveling en langgerekte of rechthoekige wierden die een onregelmatig verkavelingspatroon hebben.
Een goed voorbeeld van een redelijk intact gebleven wierdedorp met radiale verkaveling is Niehove. Op het hoogste punt van de wierde staat de in oorsprong uit de dertiende eeuw daterende kerk. Daar omheen ligt de ringweg die het kerkhof omsluit.
Tegenwoordig heet deze Kerkstraat, maar rond 1900 werd ze ook nog wel aangeduid als Ronde Straat. Tot 1830 scheidde een gracht de weg van het kerkterrein.
De huizen en boerderijen staan met het woongedeelte naar het centrum van de wierde gericht en met de schuren naar achteren.
De bebouwing wordt omsloten door een ossengang aan de voet van de wierde.
Vanaf daar lopen de wegen straalsgewijs naar de ringweg in het centrum.

De afgraving van de wierde van Rasquert in 1929. De vruchtbare grond werd verkocht om als meststof gebruikt te worden op schrale zandgronden in Westerwolde en Drenthe.
Het afgegraven deel van de wierde werd in gebruik genomen als ijsbaan voor Baflo en Rasquert. De grond onder de woning in het midden werd niet afgegraven.
Deze steekt nu hoog boven de omgeving uit en is bereikbaar via een loopbruggetje.

ijsbaan
IJsbaan voor Baflo en Rasquert.

dollard
Het landschap in het Oldambt is voor een groot deel bepaald
door de grillen van de Dollard.

Het landschap in het Oldambt is voor een groot deel bepaald door de grillen van de
Dollard. Deze zeearm ontstond in de late Middeleeuwen als gevolg van overstromingen en een reeks stormvloeden. Het water had min of meer vrij spel in het gebied omdat de bodem daar door het inklinken van het veen was gedaald.
De grootste omvang bereikte de Dollard na de Cosmas en Damianusvloed van 1509.
Als gevolg van het oprukkende water verplaatsten verscheidene dorpen zich naar hoger gelegen zandruggen, zoals Midwolda, Scheemda en Meeden. Tal van andere nederzettingen verdronken, evenals de kloosters Palmar, Oosterreide en Menterwolde.
Vanaf de eerste helft van de zestiende eeuw werd door inpolderingen geleidelijk weer land op de Dollard heroverd. De vruchtbare Dollardklei maakte van het Oldambt een van de meest florerende landbouwgebieden in Nederland.

Een vertrouwd beeld in de Wadden- en Dollardpolders is de doorgang in de dijk
(een ‘dijkgat’of’coupure), in dit geval die van de Reiderwolderpolder. Met de uitbreiding van de inpolderingen kwamen de oorspronkelijke zeewerende dijken landinwaarts te liggen en werden zo ‘slaperdijken’. Alleen bij watersnood vervulden ze wel weer hun oude taak als waterkering. De dijkgaten werden als hoog water dreigde afgesloten.
De gemetselde of betonnen dijkwanden aan weerszijden van de weg waren voorzien van uitsparingen, waarin een dubbele rij balken kon worden geschoven.
De ruimte hiertussen werd opgevuld met zand of mest.
De schotbalken werden bewaard in een schotbalkloodsje:
een houten of betonnen gebouwtje op de kruin van de dijk naast de coupure.
Om de dijkcoupures al van verre zichtbaar te maken, werden in de directe omgeving dikwijls bomen geplant. Dit waren doorgaans iepen omdat die op de zware kleigrond
het best groeiden.

schotbalkloodsje
Slaperdijken…

gevelsteen
Gevelsteen in een boerderij in Beerta…

Op deze gevelsteen in een boerderij in Beerta zijn heel toepasselijk korenschoven afgebeeld. Ooit was het Oldambt de ‘graanschuur van Nederland’.
Met de voortschrijdende inpoldering van de Dollard nam het oppervlak vruchtbare landbouwgrond gestaag toe en landbouwinnovaties maakten het bewerken van het land gemakkelijker én meer rendabel. De stijging van de graanprijzen vanaf het midden van de achttiende eeuw zorgde ervoor dat de herenboeren een periode van ongekende welvaart tegemoet gingen. Reizigers die het Oldambt aandeden werden getroffen door de zichtbare rijkdom. ‘De groote fraaije dorpen scheenen enkel uit vorstelijke paleizen te bestaan”, schreef de Duitser Chr.A. Fischer in 1802. De Leidse student Jacob van Lennep liet een kleine twintig jaar later eenzelfde geluid horen: ‘Boerenwooningen van drie verdiepingen hoog stonden heinde en ver verspreid’. Tijdens zijn voettocht door Nieuw-Beerta telde hij er’meer dan honderd’. De welvaart had ook een keerzijde. De sociale tegenstellingen in het Oldambt verhardden zich, en het overmatige materialisme van sommige herenboeren werd met afkeer aanschouwd. De dichter Bert Schierbeek, die in Beerta opgroeide, verwoordde het in zijn bundel Weerwerk treffend:
‘In de hervormde kerk van die dagen in Beerta werd hoofdzakelijk gebeden voor het gewas van de boeren en daar kwam Jezus nauwelijks aan te pas.’

‘Zijl’ is de Noord-Nederlandse aanduiding voor uitwateringssluis. Het woord maakt deel uit van de naam van een aantal dorpen die bij een dergelijke sluis ontstonden, zoals Kommerzijl, Niezijl, Delfzijl en Termunterzijl.

Statenzijl ontstond in 1707 toen een nieuwe sluis werd gebouwd in opdracht van de Staten van Stad en Lande. Ze maakte de Tienkarspelenzijl in Nieuweschans overbodig omdat die door de voortgaande indijkingen van de Dollard ver landinwaarts was komen te liggen. De sluis in Statenzijl verloor op haar beurt weer haar functie, toen in 1877 de Reiderwolderpolder (Tweede Afdeling) gereed kwam. Verder noordwaarts werd toen een nieuwe uitwateringssluis, de Nieuwe Statenzijl, aangelegd.
De overbodige sluis in wat nu Oude Statenzijl kwam te heten werd afgebroken.
Een afbeelding ervan is nog te zien op de grafsteen van Ebbe Geerts Zijlwaarder, voormalig sluismeester van de Oude Statenzijl, op het kerkhof van Nieuw Beerta.

1772
Grafsteen van Ebbe Geerts Zijlwaarder

waterpoort
Waterpoort…

Delfzijl ontstond bij de drie sluizen die in de dertiende en veertiende eeuw werden gebouwd in de monding van de Delf (het latere Damsterdiep): de Slochter- , de
Scharnieren de Dorpsterzijl. De plaats is zeer strategisch gelegen: de sluizen kunnen niet alleen binnenwater op zee lozen, maar ook in omgekeerde richting zeewater over het land
laten lopen. Bovendien is Delfzijl gelegen op een belangrijke handelsroute naar Stad.
Tot 1874 was het dan ook een vestingplaats. Van de oude verdedigingswerken resteert onder andere nog deze in 1833 gebouwde Grote Waterpoort, die niet alleen aanvallers maar ook het zeewater buiten de stad moest houden. Bij dreiging van hoge waterstanden
kan ze met een metalen deur worden afgesloten.

Schepen varen omstreeks 1890 op het Damsterdiep in Appingedam. Het Damsterdiep, dat Groningen met Delfzijl verbindt, was de levensader van de hoofdstad van Fivelingo.
Het ontstaan van de waterweg – voorheen de Delf genoemd – is nog met raadselen omgeven. Waarschijnlijk werd het kanaal al voor het jaar 1000 gegraven. Omdat het gedeelte van de Eems tot Ten Post lange tijd een getijdenwerking kende, is het verloop
van het kanaal hier licht meanderend.

damsterdiep
Damsterdiep…

sluizen
De sluizen in het Eemskanaal bij Farmsum, gefotografeerd in de jaren vijftig.

De sluizen in het Eemskanaal bij Farmsum, gefotografeerd in de jaren vijftig.
Het kanaal verbindt de stad Groningen met de Eems. Met de aanleg, waarmee in 1866 werd begonnen, werd een betere scheepvaartverbinding van de Stad met de zee beoogd.
Ook verbetering van de afwatering speelde een rol. Het graven van wat eerst nog het ‘Groot Scheepvaartkanaal’ heette, verliep niet probleemloos. De venige ondergrond zorgde voor verzakkingen en verschuivingen en voor de aanleg van kanaaldijken was niet genoeg grond voorhanden. Doordat de extra aarde hiervoor uiteindelijk uit het te graven kanaal werd gehaald, werd dit breder dan geprojecteerd. In 1872 werd zelfs overwogen om de werkzaamheden stop te zetten. Het jaar erop werd onder provinciaal toezicht doorgewerkt. Toen de uitvoerend aannemer afhaakte, werd het werk zelfs voltooid door Provinciale Waterstaat. Door alle strubbelingen waren de aanlegkosten uiteindelijk drie maal zo hoog als was voorzien. Zonder uitgebreid feestvertoon bereikte op 13 juli 1876 het eerste zeilschip vanaf zee via het Eemskanaal de Stad.

Rottumeroog is tegenwoordig het enige Groninger Waddeneiland.
In de Middeleeuwen was het voor tweederde eigendom van het Benedictijnenklooster te Rottum en voor eenderde van het Premonstratenzer Oldenklooster, gelegen bij Kloosterburen. Toen alle kloostergoederen in 1594 werden onteigend, kwam Rottumeroog in handen van de Staten van het gewest Stad en Lande. Die verhuurden het eerst, maar gingen in 1659 door geldgebrek over tot verkoop. Van de reeks particuliere eigenaren was Donough Macarthy, earl of Clantarty zeker de meest kleurrijke. De Ierse graaf kocht het eiland in 1706 en gebruikte Rottumeroog als uitvalsbasis voor een zwervend bestaan door het Waddengebied. De Staten kochten Rottumeroog in 1738 terug, omdat het eiland onderdeel was van de kustbescherming en het particulier beheer veel te wensen overliet. De strandwaarder of eilandvoogd kwam toen ook in overheidsdienst. Deze functie werd in de periode 1782-1908 bekleed door leden van de familie Van Dijk uit Warffum, daarna door twee generaties Toxopeus. Jan Toxopeus verliet in 1965 het eiland, dat sindsdien onbewoond is. Rottumeroog verplaatste zich door zeestromingen in de loop der eeuwen steeds verder oostwaarts. In de zestiende eeuw lag het nog op de plek van de huidige Rottumerplaat. De woning van de voogd moest omdat het eiland ‘wandelt’ ook meerdere keren verplaatst worden.

rottumeroog
Rottumeroog…

heide
Heide…

Een groot deel van Westerwolde bestond tot in de twintigste eeuw uit venen en
moerassige heide. Toen in 1897 enkele fotografen een tocht door het landschap
maakten, van Nieuweschans naar Ter Apel, noteerden ze de volgende impressie:
‘Voor ons de heide. Achter ons, hoogten en laagten, alles heide! En over die vochtige
heide glansde ’t reeds dalende zonlicht, groenschemerend over hier en daar een stukje
aardappelland, door een heidebewoner met weinig mest – in ’t zweet zijns aanschijns –
vruchtbaar gemaakt… De heibewoner zou tot welvaart kunnen komen… als de Aa niet
zoo’n nietig stroompje was, als een flink afwateringsscheepvaartkanaal mestaanvoer
mogelijke maakte en den grond ontlastte van t overvloedig ingezogen water
.

De borg Nienoord bij Midwolde speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van het
Westerkwartier. Het huis werd in 1525 gesticht door de edelman Wigbold van Ewsum uit
Middelstum. Deze had zijn oog laten vallen op de streek om er in de turfgraverij fortuin
te maken. De uitvalsbasis voor de verveningen noemde hij Nienoord (‘Nieuw Oord’), omdat zijn borg bij Middelstum De Oort heette. Wigbold overleed al in 1527,
waarna zijn weduwe Beetke van Rasquert zijn zaken voortzette.
De exploitatie van het veen verliep aanvankelijk weinig fortuinlijk voor de Van Ewsums.
De aanleg van een infrastructuur, het Leekster Hoofddiep, was erg kostbaar.
Tijdens krijgsgewoel in het gebied tijdens de Tachtigjarige oorlog ging Nienoord zelfs
failliet. Pas in de zeventiende eeuw waren de verveningen rendabel. Nienoord was toen
door huwelijk in het bezit gekomen van de Ostfriese familie Von Inn und Kniphausen.
De laatste mannelijke Von Inn und Kniphausen die Nienoord bewoonde, de tragische
Ferdinand Folef, stak de borg in 1850 in brand. Enkele jaren daarvoor had hij al de
galerij met familieportretten vernield.

Het huidige landhuis Nienoord werd in 1885-1886 gebouwd op de oude fundamenten.

Borg Nienoord bij Midwolde
Borg Nienoord bij Midwolde

hoendiep
Hoendiep…

Het Hoendiep was lange tijd de belangrijkste waterverbinding tussen het Westerkwartier
en de Stad. Het 15,6 kilometer lange kanaal loopt van Groningen via Hoogkerk (waar deze
foto omstreeks 1912 werd gemaakt), Vierverlaten, de Poffert, Enumatil, Diepswal en Briltil naar het Van Starckenborghkanaal bij Noordhornerga, ten westen van Zuidhorn.
Voor de aanleg van het laatstgenoemde kanaal in de jaren 1934-1936 liep het Hoendiep door tot Stroobos, waar het aansloot op het Friese Kolonelsdiep.
De naam Hoendiep is afgeleid van het nabij de Stad gelegen weidegebied ’t Hoen.
Het water wordt voor het eerst omstreeks 1360 genoemd onder de benaming Hoensloot
(voor het gedeelte tussen Stad en Hoogkerk). In 1558 duikt voor het eerst de naam Hoendiep op. Regelmatig werden gedeelten van bestaande wateren vergraven of nieuwe
kanaalvlakken gegraven, waarna deze onderdeel werden van het bestaande Hoendiep.
Dit gebeurde vooral in de zeventiende eeuw, toen het trekvaartenstelsel volop in ontwikkeling was.

Het rechtlijnige van de Veenkoloniën kan niet iedereen bekoren. Wat voor het landschap
geldt, kan ook van de plaatsnamen worden gezegd. Die bezitten een verhelderende schoonheid, tenminste voor wie er oog voor heeft. Wildervank betekent bijvoorbeeld zoveel als ‘in bezit genomen wildernis’. Haaks op het hoofdkanaal het Oosterdiep lopen
zijwegen met mathematische namen als Vijfde Laan, Elfde Laan, Achttiende Laan en zo
gaat het door tot de Eenendertigste Laan bij Bareveld, hetgeen simpelweg weerleeg
veld’ betekent. De nummering begint overigens bij de Nulwijk, die de grens vormt tussen
Veendam en Wildervank. Wildervanksterdallen? De dalgronden (de bovenste onbruikbare turf laag vermengd met de zandige ondergrond) bij Wildervank. Nog maar een willekeurige
greep: het Stadskanaal werd uiteraard gegraven door de Stad, Veendam ontstond bij een dam in het veen, Ommelanderwijk werd gesticht door een groep Ommelander heren, Borgercompagnie door stad-Groninger burgers. Tot de mooiste plaatsnamen in de provincie hoort zeker Numero Dertien in de gemeente Veendam.
De naam verwijst naar de dertiende zijwijk van de Ommelanderwijk.

numero-dertien
Numero Dertien gem. Veendam

landaanwinning
Landaanwinning…

Mechanisch greppelen in de landaanwinningswerken buitendijks in de Waddenzee.
Tot in de jaren vijftig werd dit werk op de ‘slikken’ met handkracht gedaan, veelal door arbeiders in de werkverschaffing, later van de DUW (Dienst Uitvoering Werken.
Voor de landaanwinning nam de Staat omstreeks 1930 een Duits systeem over,
de ‘Sleeswijk-Holstein-methode’. Loodrecht op de kust werden daarbij om de 400
meter dammen gebouwd, bestaand uit twee rijen palen met daartussen rijshout.
Evenwijdig aan de zeedijk werd ook een dam geplaatst, waardoor bezinkvelden
ontstonden. Deze werden, ook door dammen van rijshout, verder onderverdeeld in
kleinere vakken. Voor de afwatering zorgden de greppels en een opening in de dam aan de zeekant. Binnen de afscheidingen kwam het woelige zeewater tot rust, waardoor het meegevoerde slib zich afzette. De dichtgeslibde greppels moesten regelmatig worden uitgegraven. Met het zand werden de vakken opgehoogd, zodat ze bij eb steeds langer droogvielen. De kwelderplanten die er daardoor gingen groeien, zorgden ervoor dat zich nog meer slib afzette. Op den duur veranderden de slikken daardoor in beweidbare kwelders die ingedijkt konden worden. In de jaren zeventig raakte de landaanwinning op
z’n retour omdat natuurbeleid boven economisch belang ging prevaleren.

Het ontwerp uit 1904 van een menukaart van de Commissie tot Inpoldering van de Lauwerszee. De commissieleden zullen plezierig gegeten hebben, maar tot inpoldering kwam het nog lang niet. De eerste plannen tot het afsluiten van de zeearm dateerden al
van het midden van de negentiende eeuw. Pas de stormramp van 1953 zorgde ervoor dat alle plannensmederij concreet werd. Rijkswaterstaat stond in die tijd voor twee keuzes:
of de zeedijken rondom de Lauwerszee – in totaal 32 kilometer lang – op Deltahoogte brengen, of een 13 kilometer lange afsluitdijk opwerpen. Het werd de laatste optie.
In 1960 viel het Besluit tot Droogmaking van de Lauwerszee. Het jaar erop werd met de aanleg van de dijk begonnen. Het laatste 900 meter grote gat moest, vanwege de stroomsnelheid van het water, met caissons worden gedicht. Deze lieten na plaatsing nog water door. De laatste twee caissons werden op 23 mei 1969 in het ‘sluitgat’ gevaren.
Twee dagen later werden alle doorlaatkleppen tegelijkertijd – tijdens de kentering van eb naar vloed – neergelaten, waardoor de Lauwerszee het Lauwersmeer werd.

lauwerszee
Drooglegging Lauwerszee


Stad

blauwestad
Blauwestad…

Op 12 mei 2005 zette koningin Beatrix door het opendraaien van een kraan 800 hectare van het Oldambt onder water. De symbolische handeling was het officiële begin van de aanleg van het Oldambtmeer, het water waaraan het woongebied Blauwestad moet verrijzen. Het project Blauwe Stad heeft zijn oorsprong in de jaren tachtig. Een nieuw aan te leggen dorp, met woningbouw voor welgestelden, zou het leefklimaat in dit deel van Oost-Groningen moeten verbeteren. De streek had al jaren te kampen met werkloosheid nadat de werkgelegenheid in de landbouw en in de strokarton sterk was teruggelopen. Bovendien had het Oldambt een imagoprobleem. De Blauwe Stad zou een positieve invloed op de directe omgeving hebben en een bijdrage leveren aan het handhaven van het voorzieningenniveau in de omringende dorpen. Vijf jaar na de officiële start leek het project mislukt. Van de 1480 kavels waren er slechts 180 verkocht. Ook de financiering kon geen goedkeuring vinden in de ogen van de Noordelijke Rekenkamer.
De Provincie, een van de grote geldschieters, had de samenwerking met private investeerders verkeerd ingeschat en zich schuldig gemaakt aan ‘wensdenken.’
Bovendien waren Provinciale Staten te weinig geïnformeerd om verantwoorde besluiten te kunnen nemen. Qua verwikkelingen doet de realiteit niet onder voor de in Blauwestad spelende ‘regiosoap’ Boven Wotter.

pronkjeswail
Pronkjewail….

Het Gronings volkslied typeert Groningen als ‘ain pronkjewail in golden raand’.
Deze foto uit het midden van de jaren zestig illustreert die prominente plaats treffend.
Niet voor niets is Groningen een van de twee provincies in Nederland die genoemd zijn naar de hoofdstad. Groningers zelf duiden die laatste zelf eenvoudigweg aan als ‘Stad’,
daarmee nog eens de bijzondere positie onderstrepend.

Stad wordt in 1040 voor het eerst genoemd in een schriftelijke bron.
Dat jaar schonk de Duitse koning Hendrik III enkele goederen gelegen in de ‘Villa Cruoninga’ aan het bisdom Utrecht. Maar daarmee is nog niets gezegd over de ouderdom van Groningen. De Stad ontstond op een uitloper van de Hondsrug. Vanaf de derde eeuw van onze jaartelling kan onafgebroken bewoning worden vastgesteld.

De naam Groningen is moeilijk te verklaren. Mogelijk is deze ontstaan uit Groen-inge, hetgeen zoveel als ‘groene velde(n)’ betekent. Deze groene landen zouden dan duiden op de ligging aan de Drentsche Aa of Hunze. Het is dan ook geen wonder dat het oude Groningen vaak werd getypeerd als een Drentse plaats of de ‘staart van Drenthe’.

mollebonen
Mollebonen…

Inwoners van Groningen worden Stadjeders genoemd of, meer gebruikelijk, Stadjers.
De aanduiding wordt nu vooral gebruikt om onderscheid aan te brengen tussen de vele studenten en de overige inwoners. Als bijnaam hebben de Stadjers mollebonen, naar
de licht geroosterde paardenbonen met een licht zoete smaak. Een typisch stad-Groninger lekkernij, ondanks dat de provincievlag op de verpakking staat afgebeeld.

Dat de stad Groningen op de Hondsrug ligt, is op meerdere plaatsen aan het reliëf merkbaar. Denk maar eens aan de stijging van de straat langs de muur van het Pepergasthuis tussen Damsterdiep en Oosterdiep. De meest noordelijke opduiking van de Hondsrug is die ter hoogte van de Herestraat in de binnenstad van Groningen.
Het Hoogstraatje, op de foto op de achtergrond rechts, is met 9 meter boven NAP het hoogste punt van de stad. Ter vergelijking: de meest zuidelijke ’top’ van de Hondsrug is het Haantjeduin bij Emmen, dat 26,5 meter boven NAP ligt.

hondsrug
Hondsrug…

stadswapen
Stadswapen…

Het wapen van de stad Groningen werd vastgesteld in de negentiende eeuw, maar was eeuwen ervoor al in deze vorm in gebruik. In het wapendiploma van de Hoge Raad van Adel uit 1819 wordt het als volgt omschreven: ‘een schild van goud beladen met een dubbelden zwarten arend, met uitgespreide vleugelen en pooten hebbende op deszelfs borst een schildje van zilver, beladen met een groene dwarsbalk, het schild gedekt met eene gouden kroon en ter wederzyde vastgehouden door een zwarten arend.
De Duitse rijksadelaar werd in de late Middeleeuwen doorgaans alleen gevoerd door vrije rijkssteden, dat wil zeggen steden die rechtstreeks onder het gezag van de Duitse keizer vielen. Voor Groningen was dat niet het geval maar de Stad voelde zich kennelijk zo onafhankelijk van het bisdom Utrecht dat ze toch de adelaar gebruikte.

Het schild met de groene balk is ontleend aan het wapen van de prefect, de plaatsvervanger van de bisschop in Stad.

Het kan niet anders of Groningen moet aan het einde van de zestiende eeuw een grote indruk hebben gemaakt op de reizigers die haar naderden. Al was het omdat de stad al van verre opdoemde uit het omringende vlakke land. De Martinitoren, het meest dominant in de skyline, was bij helder weer zowel vanuit Drenthe als vanaf de noordelijke waddenkust al zichtbaar. Op dit stadsaanzicht, omstreeks 1570 getekend door de Duitser Georg Braun en de Vlaming Frans Hogenberg, zijn behalve de kleinere spitsen van de gasthuiskerken ook de Der Aa-kerk (links) en de Sint-Walburgkerk (rechts) te zien.

groeninga
Groeninga….

martinitoren
Martinitoren…

De bijna 97 meter hoge Martinitoren, liefkozend d’Olle Grieze genoemd, is hét symbool van Groningen. Pregnant wordt dat duidelijk in het dagboek van Stadjer Nico Rost, geschreven in het concentratiekamp Dachau: ‘Of de Martinitoren er nog staat?… voor mij betekent ze: Groningen geboortestad en jeugd, het steeds vertrouwde gevoel van zich thuis voelen, van weer thuis zijn. En het carillon! Ook haar klanken zal ik node missen. Haar muziek geeft me méér, dan ooit een ander klokkenspel, waar ook ter wereld,
me geven kan. Ik begin hier waarachtig naar de Martinitoren te verlangen.
De vraag of de toren er nog stond was een reële, nog los van het oorlogsgeweld.
In de jaren dertig was geconstateerd dat de onderbouw ernstige scheuren vertoonde.
Om het instortingsgevaar te keren werd een plint van gewapend beton om de onderbouw gelegd. Ook werden de doorgangen onder de toren goeddeels dichtgezet.
De restauratie maakte dat de Martini tot 1948 in de steigers stond.
De huidige Martinitoren, gebouwd tussen 1469 en 1482, had twee voorgangers.
De eerste verrees in de dertiende eeuw en werd in 1408 door blikseminslag vernield.
De in 1464 herbouwde toren werd in 1468 ook al weer door de bliksem verwoest.
De bovenbouw van de toren is het jongst. De houten derde trans en de spits die de Martini toren van 1482 bekroonden waren pas gereed in 1548.
Het bouwwerk vatte vlam toen in 1577 vreugdevuren op de toren werden ontstoken om het vertrek van de Spaanse troepen uit de Stad te vieren.
Pas in 1627 was de huidige torenbekroning voltooid.

In 1921 nam Jan Koop Sjoerds afscheid als laatste brand-annex torenwachter van de
Martinitoren. Daarmee kwam een eind aan een lange traditie van een wakend oog over Groningen. De torenwachter moest ieder uur, ook ’s nachts, vanaf de toren in alle windrichtingen een signaal op zijn trompet geven ten teken dat alles veilig was in Stad.
Bij gelegenheden diende hij op zijn instrument passende melodie
ën te blazen.
Een verantwoordelijke taak dus, reden waarom het stadsbestuur bepaalde dat de beambte ‘geen zuyper en geen looper’ mocht zijn. Éénmaal was de torenwachter zelf de grootste bedreiging van de Martinitoren. Cornelis Auwema, die woonde in het pand waarin nu ‘De Kosterij’ is gevestigd, werd in 1782 op heterdaad betrapt terwijl hij bezig was ‘een gat te hakken in een der pilaren der kerke’ . Zo wilde hij waarschijnlijk vanuit zijn woning een snellere toegang tot de toren creëren.

torenwachter
De laatste Torenwachter

herestraat
Jugenstilpand is dat van Mantelmagazijn ‘De Adelaar’

De Herestraat is één van de bekendste straten van Groningen.
De naam komt van Heirweg, de weg waarlangs het leger (‘heer’) trok.
De straat werd dan ook afgesloten door de Herepoort.
Tegenwoordig is de Herestraat een winkelstraat, met vooral vestigingen van landelijke
ketens. Al sinds jaar en dag staat ze in de Top 20 van duurste winkelstraten (huurprijs per
vierkante meter winkelruimte) van Nederland. Ook in het spel Monopoly is de Herestraat een van de meest lucratieve. Tot in de negentiende eeuw werd de straat ook nog ‘gewoon’
bewoond. Verschillende prominente Groninger families hadden er hun huis. Door de vele verbouwingen en in het oog springende reclames is er weinig meer te zien van de oorspronkelijke fraaie architectuur. Het afgebeelde jugenstilpand is dat van Mantelmagazijn ‘De Adelaar’ gelegen op de hoek met het Gedempte Zuiderdiep.
Tegenwoordig staat hier een filiaal van C&A.

De ingang van de Herestraat aan de zijde van het Gedempte Zuiderdiep is breder dan
de rest van straat, zoals te zien is op deze ansichtkaart uit ongeveer 1905.
Dit wijde gedeelte was gelegen direct achter de Herepoort en diende als opstelplaats voor uitvallende verdedigers van de stad. De plaats van de poort is tegenwoordig gemarkeerd in de bestrating. Van de bebouwing op de foto is nu weinig meer te herkennen. Op de plek van het herenhuis links verrees in 1938 café-restaurant De Faun, de bebouwing rechts werd afgebroken voor het logge pand van C&A.

wijde
Het wijde van de Herestraat

De oudste bakstenen huizen in de stad Groningen dateren uit de dertiende en veertiende eeuw. Veertiende-eeuws muurwerk heeft het hier afgebeelde pand Brugstraat 24.
Als enige gebouw in de Stad heeft het nog iets van zijn laatmiddeleeuwse voorgevel weten te behouden, waardoor het ook wel onder de naam ‘Gotisch huis’ bekend staat.
Toen deze foto werd gemaakt was het huis in gebruik als bedrijfsruimte en pakhuis onder de niet erg middeleeuws klinkende naam New York. Sinds de jaren zeventig is het Noordelijk Scheepvaartmuseum in het pand gevestigd.

gotisch_huis
‘Gotisch huis’

omwalling
Middeleeuwse omwalling

Aan het begin van de zeventiende eeuw bevrijdde de stad Groningen zich van zijn
middeleeuwse omwalling. Vanaf 1612 werd gewerkt aan de aanleg van nieuwe
vestingwerken, die aan de noordzijde van de stad een nieuw stadsdeel zouden moeten
omsluiten. Het plan staat bekend als de ‘Nieuwe Uitleg’ en werd omstreeks 1628 voltooid.
Binnen twee decennia was Groningen met zo’n 70% van de oorspronkelijke oppervlakte
gegroeid. Een nieuw verdedigingsstelsel met zeventien dwingers, zeven poorten en
vijf waterpoorten omsloot toen de vesting Groningen.
De noordelijke staduitbreiding zou een maatje te groot blijken. De wijk met
rechtlijnige straten, die bij raadsbesluit van 1624 officiële namen kregen, vaak van
fruitsoorten of planten, zou pas in de negentiende eeuw worden volgebouwd.

Door de stadsuitbreiding van begin zeventiende eeuw kwam er in Groningen ruimte voor
de aanleg van nieuwe ruime straten en pleinen. De Ossenmarkt, hier op een ansichtkaart
van omstreeks 1910, was daar één van. Het plein ontleent zijn naam aan het feit dat
er van 1630 tot 1892 veemarkten werden gehouden. De bebouwing rondom de markt
bestond voornamelijk uit royale huizen van gefortuneerde Stadjers.
De Ossenmarkt maakte vlak na de aanleg al indruk op de leden van een Frans
gezantschap dat in juli 1636 onderweg van de landen rond de Oostzee op weg naar
huis Groningen aandeed. De secretaris van het gezelschap, Charles Rogier, noteerde
zijn indrukken in het reisverslag: ‘Het derde en mooiste plein van de stad (Ossenmarkt)
ligt aan de andere kant van het kanaal dat door de stad heen loopt. Een fraaier plein
heb ik nauwelijks ooit gezien, buiten het Place Royale in Parijs. De bomen zijn er in
het vierkant geplant en geven de wandelaar een heerlijke schaduw.

ossenmarkt
Ossenmarkt…

tweetanden
Het Binnen Damsterdiep met op de achtergrond de Steentilpoort

De vesting Groningen werd in 1874 opgeheven. De wallen waren een beperking voor een
uitbreiding van de Stad en stelden in defensief opzicht weinig meer voor. Een van de
bepleiters van opheffing was de dichter Jan Goeverneur, die in 1855 de koning in een sonnet verzocht om ontmanteling. Hij gebruikte zijn oude hondje Prins als metafoor voor het nut van de fortificaties: ‘Mijn Prins heeft nog twee tanden in haar snuit, En kwam een vijand ons weer te overvallen: ’t zelfde als dees vesting richt zij daarmee uit’.
Rond 1878 werd met de slechting van de vestingwallen en de afbraak van de stadspoorten begonnen. Fotograaf Friedrich Julius von Kolkow legde ze nog juist op tijd fotografisch vast. Deze opname toont het Binnen Damsterdiep met op de achtergrond de Steentilpoort en het nabijgelegen Poortershuisje. Op de stadswal staat de houtzaagmolen ‘De Twee Reizigers’ van de familie Van Houten.

Het poortershuisje aan het Damsterdiep kwam tot stand omstreeks 1620, bij het
voltooien van de nieuwe vestingwerken die de Stad omringden. In het huisje woonde
de poortier van de nabijgelegen Steentilpoort. Ook diende het als tolhuis voor schepen
die via het Damsterdiep Groningen binnenvoeren. Door een deurtje in de zijgevel
kon het passagegeld via een klomp aan een hengel worden geïnd. Het pandje was
in de loop der eeuwen, zoals op deze ansichtkaart uit de jaren dertig is te zien,
behoorlijk scheefgezakt. Bij de bevrijding van Groningen in 1945 raakte het nog
verder beschadigd. De laatste resten werden in 1947 opgeruimd.

poortershuisje
Poortershuisje…

Met het slechten van de verdedigswerken van de stad Groningen, verviel ook een geliefde wandelplaats voor de  Stadjers, die graag over de wallen mochten flaneren.
Binnen de uitbreidingsplannen van de Stad nam de aanleg van eer wandelpark dan ook een prominente plaats in. In het noordwesten werd in 1880 het Noorderplantsoen, een gezamelijke ontwerp van tuinarchitect H. Copijn en stadsbouwmeester J.G. van Beusekom, aangelegd op de plaats van de voormalige Boteringe- , Jats-, Kruid- en Reitdiepsdwingers. De oude vestingwerken zijn in het huidige park nog steeds herkenbaar, onder andere in de vijvers, die een deel van de voormalige gracht zijn, en de hoogteverschillen. De wal langs de Noorderbinnensingel is waarschijnlijk het enige overblijfsel van de zeventiende eeuwse stadswal.

noorderplantsoen
Noorderplantsoen

herepoort
Herepoort

Wie de enige overgebleven Groninger stadspoort wil zien, moet in Amsterdam zijn.
Daar staat de Herepoort, rug aan rug met de Bergpoort uit Deventer, sinds 1885 in de tuin van het Rijksmuseum. De poort, in 1621 gebouwd naar een ontwerp van de stadsbouwmeester Coenraad Roeleffs, werd in 1878 afgebroken omdat de vestingwerken rondom de Stad werden ontmanteld. Af en toe laait de discussie weer op om het bouwwerk naar Groningen te halen. Ook een laatste poging hiertoe, door de in 2005 opgerichte stichting ‘Vrienden van de Herepoort’, strandde.

Het Reitdiep omstreeks 1907. De foto werd in westelijke richting gemaakt vanaf de Plantsoenbrug in Stad. Groningen had, tot de aanleg van de sluizen bij Zoutkamp in 1876, via het Reitdiep een open verbinding met zee.
De getijdenwerking wat tot die tijd in de diepenring merkbaar.

groninger_zeehaven
Groninger Zeehaven

vloedplanken
Vloedplanken

Op verschillende plaatsen in de Stad is nog te zien dat Groningen via het Reitdiep een open verbinding had met zee. In de stadsgracht zorgen eb en vloed toentertijd voor hoog en laag water. Met hoogwater werden de schepen gelost aan de Hoge der Aa, met laagwater aan de overzijde, dan ook toepasselijk Lage der Aa geheten. Aan de Noorderhaven, het Lopende diep en de Spilsluizen werden speciale eb- en vloedkades aangelegd die het laden en lossen bij verschillende waterstanden mogelijk maakten.
Deze zijn nog steeds te zien. Verdwenen zijn de meeste constructies voor vloedplankem om te voorkomen dat de kelderwoningen langs de gracht in geval van hoog water zouden overstromen, kon daar tussen twee sleuven in de stoep een plank worden geschoven. Slechts één van die sleuven resteert tegenwoordig nog,
in de stoep bij het pand Hoge der Aa 19.

Het Gedempte Zuiderdiep in Groningen eind jaren dertig.
Het Zuiderdiep was oorspronkelijk de zuidelijke stadsgracht.
In 1880 werd het water gedempt, na het gereedkomen van het Verbindingskanaal.
Na de demping deed de brede straat onder andere dienst als marktplaats en, zoals op de
foto is te zien, als vertrekplaats van bussen. Het markante café-restaurant De Faun, rechts gelegen op de hoek met Herestraat, werd gebouwd in 1938.

zuiderdiep
Zuiderdiep

stoeldraaierstraat
Stoeldraaierstraat

Eén van de meest zwaar getroffen straten tijdens de bevrijding van Groningen in
april 1945 is wel de Stoeldraaierstraat. Hier vaagde de ontploffing van een Duitse
munitiewagen alle bebouwing weg. De tekening toont de straat in 1945.

Ter oriëntatie: het pand links staat op de hoek van de Grote Kromme Elleboog en Stoeldraaierstraat. Verder zijn de achterkanten van de panden aan de Zwanestraat zichtbaar. De toren links is van het Academiegebouw,
die rechts van de in 1982 afgebroken Sint-Martinuskerk.

orde_en_gezag
Orde en gezag

Bestuurlijk is Groningen van oudsher een lastig geval. Stad en Ommelanden lagen in de Middeleeuwen regelmatig met elkaar overhoop omdat de Stad aanspraken maakte op grote delen van de provincie. Daarnaast probeerde ze allerlei economische voorrechten
af te dwingen. Als de strijd hoog oplaaide, werd niet geschuwd om machthebbers van buiten in het conflict te betrekken. Pas in 1594 werden beide delen van de provincie verenigd in één gewest: Stad en Lande. Een gemakkelijk huwelijk was dat niet altijd.
Stad en Lande was sindsdien onderdeel van de Republiek der Verenigde Nederlanden.

republiek_der_verenigde_nederlanden
Medaillon met een Keeshond, het symbool van de Patriotten.

Omdat het machtscentrum daarvan ver weg lag, wist Groningen een zekere autonomie te bewaren. De blik bleef nog lange tijd op het oosten gericht, hoewel Hollandse invloeden
langzaam doordrongen. Dat gebeurde onder andere in de taal, die beïnvloed werd door de in 1637 ingevoerde Statenbijbel. Na de Bataafs-Franse tijd werd Groningen in 1813
onderdeel van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. Voorvallen uit de geschiedenis
werden aangegrepen om te onderstrepen dat Groningen al lang deel uit maakte van een Nederlandse staat. De Slag bij Heiligerlee.

(1568) kreeg sindsdien een prominente plaats in de vaderlandse geschiedenisboeken.
Ook hedendaagse Groningers die tegen de opstandige Belgen streden verwierven een nationale heldenstatus. Of het met de integratie is gelukt? Veel Groningers voelen zich
vandaag de dag nog steeds achtergesteld bij de Randstad.

oranjeboom
Medaillon’s achterkant toont een Oranjeboom.

Een van de dubbele gezichten van Groningen is nu nog te zien in het pand Oude Boteringestraat 44 in Stad, in 1791 gebouwd door de uit Indië teruggekeerde arts
Jacobus van der Steege. Aan de statige trap liet hij een medaillon met een keeshond
aanbrengen, het symbool van de Patriotten. De achterzijde toont echter een Oranjeboom. Dat moet de leden van het koningshuis, die er regelmatig logeerden toen het als ambtswoning van de Commissaris der Koningin in gebruik was, niet onverdeeld deugd hebben gedaan. Tegenwoordig zetelt het bestuur van de RuG in het pand.

provinciewapen
Provinciewapen

Het wapen van de provincie Groningen werd vastgelegd in 1947 maar bestaat al sinds de
late zestiende eeuw, toen Stad en Ommelanden in één gewest werden samengevoegd.
Het wapen bestaat uit vier delen. Het stadswapen, een dubbelkoppige zwarte adelaar,
symboliseert mede de gebieden die rechtstreeks onder het bestuur van de stad vielen:
Gorecht, Oldambten, Reiderland en Westerwolde. In de andere kwadranten is het Ommelander wapen te zien, een zilveren schild met drie blauwe balken en elf rode harten.
De balken stellen de drie Ommelanden, Hunsingo, Fivelingo en Westerkwartier voor.
De harten verwijzen naar de elf onderkwartieren.

En om hier meteen maar een mogelijk misverstand recht te zetten:
het Ommelander wapen is niet afgeleid van de Friese vlag, maar juist andersom.

Het Goudkantoor is een opvallend gebouw naast de nieuwbouw in de Waagstraat.
Het werd gebouwd in 1635 als kantoor voor de ontvanger van de belastingen in Stad en
Lande. De oorspronkelijke naam is dan ook Collectehuis. De Latijnse spreuk op de gevel, Date Caesari quae sunt Caesaris (‘Geef de keizer wat des keizers is’) herinnert aan de oorspronkelijke functie. Het stadswapen in de gevel dateert niet uit de bouwtijd.
Na overdracht van het gebouw aan de Stad in 1811 werden de oorspronkelijke provinciale wapens vervangen door de stedelijke. De benaming Goudkantoor stamt de negentiende eeuw. Het pand huisvestte van 1814 tot 1887 het Waarborg voor Goud en Zilverwerk.
In het Goudkantoor werd in voorwerpen van edelmetaal een waarmerk aangebracht om de echtheid ervan aan te kunnen tonen.

goudkantoor
Goudkantoor

academie
Academie

Groningen is universiteitsstad sinds 1614. In Nederland heeft alleen Leiden (1575) een oudere universiteit. De ‘Academia Groningae et Omlandiae’ werd opgericht door de
Staten van Stad en Lande, na aandringen van stad­houder Willem Lodewijk.
De nieuwe Academie moest vooral juristen en predikanten opleiden omdat het gewest daar grote behoefte aan had. Het wapen van de Academie – een opengeslagen Bijbel met de tekst ‘Verbum Domini Lucerna Pedibus Nostris’ (‘Uw woord is een lamp voor mijn voet’ naar Ps. 119:105) – weerspiegelt het gedachtegoed uit de begintijd nog steeds.
De Academie werd gehuisvest in de gebouwen van het geconfisqueerde Franciscanenklooster aan de Broerstraat, hier afgebeeld om de vogelvluchtkaart die
Egbert Haubois in 1643 van de Stad tekende. De eerste rector werd Ubbo Emmius.
Hij was afkomstig uit Ostfriesland, evenals een groot deel van de studenten in de zeventiende en achttiende eeuw.

In 1850 werd de Broerstraat in Groningen een nieuw Academiegebouw geopend.
Het gebouw was bekostigd door de inwoners van stad en provincie Groningen omdat voor nieuwbouw gelden van rijkswege maar uitbleven. Al in 1846 was het oude kloostercomplex waarin de universiteit sinds haar stichting in 1614 was gehuisvest vanwege de bouwvallige staat afgebroken. Die bouwvallige staat gold figuurlijk ook voor de Academie zelf: wegens een gebrek aan voorzieningen bleven studenten weg.
In het jaar 1840 waren er maar 140 studenten in Groningen.

Met hun gul gebaar, probeerden de Groningers het tij te keren. Het nieuwe Academiegebouw brandde in 1906 af. De collectie van het op de bovenverdieping gehuisveste Museum voor Natuurlijke Historie ging daarbij verloren.
Met behulp van toegesnelde burgers konden de hoogleraarsportretten,
het studentenvaandel uit 1665 en de archieven nog worden gered.

academiegebouw
Academiegebouw

Hero Jan Kars was van 1872 tot 1906 pedel van de Groninger universiteit.
Taak van de pedel is om de academische ceremonies en plechtigheden,
zoals promoties, in goede banen te leiden. Kars draagt op dit schilderij uit 1912
de zilveren pedelstaf uit 1615. Overigens wijkt het promotieritueel in Groningen af van
dat in andere Nederlandse universiteitssteden. De pedel sluit hier af met de woorden
‘hora finita’ in plaats van ‘hora est’.

pedel
Hero Jan Kars

bommen_berend
Bommen Berend

Het ontzet van Groningen, dat in 1672 belegerd werd door de troepen van de bisschop
van Münster, wordt jaarlijks op 28 augustus nog gevierd. Her en der zijn nog sporen te vinden van de vele kanonskogels die de bisschop – vandaar zijn bijnaam
‘Bommen Berend’ – op de stad afvuurde. De afgebeelde kanonskogel is
ingemetseld in een muur in de Guichardsgang, een steeg in de Oude Kijk in ’t Jatstraat.
Een gevelsteen, aangebracht in 1979, draagt de tekst
‘Bij vroeger krijggedruis kwam ik op deze plaats terecht in ’t vorig huis.’

Bourtange is de meest complete vestingplaats van Nederland. Niemand minder dan Willem van Oranje gaf in 1580, dus tijdens de beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog, de opdracht om een fort aan te leggen op de zandrug in het ontoegankelijke Bourtangermoeras. In 1593 was dit vijfhoekige bastion voltooid.
De verdedigingswerken werden in de loop van de tijd steeds aangepast om de steeds groter wordende vuurkracht van potentiële belegeraars te kunnen weerstaan.
De vesting Bourtange bereikte haar grootste omvang in 1742, voornamelijk door uitbreidingen aan de oostzijde. Aanvallers stuitten daar op een ‘natte horizon’ een oplopend voorterrein dat onder water gezet kon worden.
De vesting Bourtange is nooit door de vijand ingenomen.
Toen in 1672 de troepen van de bisschop van Munster Groningen binnenvielen,
kozen de belegeraars van Bourtange een andere tactiek. De Munsterse aanvoerder bood Bernard Johan Prott, de commandant! van Bourtange, 200.000 gulden en een groot adellijk stift in Westfalen als hij de vesting prijs zou geven. Het bod werd door Prott afgeslagen en Bourtange hield stand. In 1851 werd de vesting opgeheven.

De verdedigingswerken raakten de geleidelijk in verval en Bourtange werd een agrarisch dorp. In de jaren zestig werd begonnen met reconstructie van de vestingplaats naar de vorm van 1742. De laatste werkzaamheden werden in 1992 voltooid.

bourtange
Bourtange vestingplaats

soldatendijkjes
De Leidijk bij Ter-Apel

Het moerassige Westerwolde vormde een prima barrière tegen een vijandelijke aanval uit het oosten. In de zeventiende en achttiende eeuw werden in het gebied leidijken aangelegd om het hoogveen nat en dus ontoegankelijk te houden. Behalve als waterkering fungeerden de dijkjes ook als verbindingswegen tussen de vestingwerken langs de grens. Om die reden werden ze ook wel aangeduid als soldatendijken.
Regelmatig moesten de leidijken worden gecontroleerd omdat ze herhaaldelijk door boeren, die genoeg hadden van de wateroverlast en de gronden liever ontgonnen,
werden doorstoken. De dijken hielden hun functie tot het midden van de negentiende
eeuw. Veel ervan zijn tegenwoordig nog te herkennen in het landschap.

Groningen heeft nooit actief deelgenomen aan de Verenigde Oost-lndische Compagnie
(VOC). De handel op de Indische koloniën was vooral een West-Nederlandse aangelegenheid. De laatste gouverneur in VOC-dienst in Batavia was wel een Groninger.
Hij is vooral bekend gebleven door een overmaat aan’VOC-mentaliteit’.
Willem Arnold Alting werd in 1724 in Stad geboren. Kort na zijn promotie in de rechten
aan de Groninger academie vertrok hij in 1750 naar de Oost. Daar maakte hij snel carri
ère, in 1780 bekroond met de benoeming tot gouverneur-generaal. De bloeitijd van de Compagnie was toen al voorbij. De oorlog met Engeland was een stevige aanslag op de financiën en het verkeer over zee verliep ook daardoor moeizaam. Alting hield in deze jaren zijn eigen zaak wel bloeiend. Verhalen over financieel wanbeheer, bevoorrechting van relaties en verdwenen miljoenen bereikten steeds vaker de Republiek.
Stadhouder Willem V stuurde daarom een onderzoekscommissie naar Batavia.
Een van de leden daarvan overleed echter gedurende de lange reis, en de handige Alting wist daarna zijn schoonzoon Joannes Siberg in diens plaats te manoeuvreren.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat het onderzoek niets opleverde.
Met de opheffing van de VOC in 1795 kwam een eind aan Altings bestuur;
vijf jaar later overleed hij. Zijn portret is tegenwoordig nog te zien in het gebouw
Oude Boteringestraat 44 in Stad, dat in 1791 gebouwd werd voor de uit Indië teruggekeerde arts Jacobus van der Steege.

willem_arnold_alting
Willem Arnold Alting

retraite
Een witte vlag op de Grote Waterpoort

De enige Nederlandse stad die tot na de Franse tijd in handen was van de Fransen,
was Delfzijl. De bezetters verlieten de havenplaats pas in mei 1814: koning Willem I
regeerde toen al een half jaar en keizer Napoleon was anderhalf maand tevoren
verbannen naar Elba. Reden voor de langdurige bezetting was dat de vestingscommandant kolonel Maufroy, die daarvoor de Keizer had gediend in Egypte, weigerde te geloven dat Napoleon was gevallen. Hij kondigde daarom vanaf 13 november 1813 de staat van beleg voor de vesting af. Om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien, ondernamen de Franse soldaten gedurende winter met regelmaat uitvallen in de omgeving. Dat leidde tot schermutselingen met de Nationale Garde,

die sinds eind november de stad omsingeld hield. Pas op 23 mei 1814 wapperde als
bewijs van de Franse overgave een witte vlag op de Grote Waterpoort en dreunden er
101 saluutschoten. Tobias Roelfs van Streun schilderde het vertrek van de Fransen
via de Farmsumer poort.

In 1830 scheurde het nog jonge Koninkrijk der Nederlanden in tweeën: de Zuidelijke Nederlanden scheidden zich af van het Noorden en riepen de zelfstandige staat België uit. Koning Willem I legde zich niet bij de situatie neer en zette het leger in.
Onder de soldaten die zuidwaarts afmarcheerden, bevonden zich ook Groningers:
leden van de mobiele schutterij en 117 studenten van de Vrijwillige Flankeurcompagnie van de Hogeschool, allen lid van het Groningsch Studenten Corps Vindicat atque Polit.
Als helden werden ze in het najaar van 1830 uitgeleide gedaan, en later – in 1831,
na het stranden van de Tiendaagse veldtocht – idem weer onthaald. Dit terwijl hun oorlogservaring voor het grootste deel had bestaan uit het weerstaan van de verveling,
in plaats van deelname aan gevechthandelingen. Volgens overlevering was de enige Groninger student die om het leven was gekomen zelfs in een beschonken bui uit een boom gevallen. Koning Willem I verleende aan alle deelnemers het Metalen Kruis.
De tekening van de marcherende flankeurs is afkomstig uit het schetsboekje van
Louis Charles Hora Siccama (1830).

flankeurs
Studenten Flankeurs

sneuvelen
Het sneuvelen van Lewe van Aduard

Een haast vergeten held, gesneuveld in een verloren strijd, is Jan Evert Lewe van Aduard,
in 1774 geboren in Groningen. De Groninger jonkheer werd op vijftienjarige leeftijd adelborst onder het admiraliteitscollege van Amsterdam. In 1821 werd hij onderscheiden met de Militaire Willemsorde derde klasse, toen hij als kapitein de vloot tijdens de tweede
expeditie naar Palembang commandeerde. Als schout bij nacht commandeerde Lewe tien jaar later de operaties op de Schelde ter ondersteuning van de door de opstandige Belgen belegerde Citadel van Antwerpen.

Aan boord van zijn vlaggenschip de Zr. Ms. ‘Euridice’ werd hij op 12 december 1832 dodelijk getroffen door een Franse mortiergranaat. Op de Zuiderbegraafplaats in Groningen is als gedenkteken voor Lewe van Aduard een gietijzeren obelisk opgericht.

camp_magazine
Het Camp Magazine

Het Camp Magazine, gedrukt door H.N. Werkman, werd van 1915-1918 uitgegeven door de Britse geïnterneerden in Groningen. De militairen brachten de oorlogsjaren door in een barakkenkamp op het terrein van de Rabenhauptkazerne aan de Hereweg, toepasselijk door hen ‘Timber Town’ gedoopt. De meeste Britten deden in 1914, het eerste jaar van de ‘Grote Oorlog’ , dienst in België. Ze hadden zich in oktober 1914 moeten terugtrekken na de inname van Antwerpen door de Duitsers. Omdat hun ontsnappingsroute was afgesneden, restte ze weinig meer dan de grens van het neutrale Nederland over te steken. Daar werden ze ‘voor de duur van de vijandelijkheden’ geïnterneerd.
In het Groninger stadsleven waren de Britten, die toestemming hadden om af en toe te ‘passagieren’ , een opvallende verschijning. Ook namen ze volop deel aan het culturele en verenigingsleven. De voetbalclubs die in het Engelse Kamp werden geformeerd kwamen regelmatig uit tegen Groninger verenigingen. Aan hun invloed wordt ook het landskampioenschap in 1920 van Be Quick toegeschreven: de ploeg werd dat seizoen gecoacht door Harry Waites, een oud-geïnterneerde uit Timber Town.

Verdedigingswerken die gedeeltelijk in de grond zijn ingegraven en versterkt zijn met beton worden doorgaans aangeduid met het woord bunker, een Duitse term.
De Nederlandse benaming luidt kazemat. Eind jaren dertig werden er in het oosten van de provincie een aantal gebouwd langs de verdedigingslinies die waren opgeworpen om een eventuele Duitse opmars te vertragen. Ze waren alle van het standaardtype ‘Stekelvarken’ met drie schietgaten. De naam ontleende de kazemat aan de uitstekende ijzeren haken aan de bovenzijde, waaraan camouflagenetten konden worden bevestigd.
In Groningen resteert nog een twintigtal van deze bunkertjes, waaronder deze aan het Noorderdiep in Stadskanaal.

stekelvarken
Stekelvarken’ met drie schietgaten

inval
Duitse troepen aan de Hereweg

De Tweede Wereldoorlog begon ook voor Groningen in de vroege ochtend van 10 mei 1940. De grensbewaking bij Nieuweschans werd als eerste verrast door een Duitse pantsertrein, die volgens plan meteen had moeten doorstoten naar de Nederlandse stellingen bij de Afsluitdijk. Ver kwam het voertuig echter niet, want de ongeveer
4 kilometer verder gelegen spoorbrug over het Buiskooldiep kon door Nederlandse militairen worden opgeblazen. De brug kon door meegereisde genisten worden hersteld maar een volgende brug – over het Zijlsterdiep – werd grondiger vernield, zodat de trein onverrichterzake naar Duitsland moest terugkeren.
Ook elders in de provincie werden vertragende acties uitgevoerd, vooral bestaand uit
het opblazen van bruggen en het versperren van wegen. Veel resultaat hadden die niet.
In de loop van de eerste oorlogsdag bereikten de Duitse troepen al de stad Groningen.
De afgebeelde foto, afkomstig uit het album van een Duitse soldaat,
werd daar’s middags aan de Hereweg gemaakt.

gevallen
Door dood’lijk schot gevallen

De meest verbitterde staking in de provincie Groningen had plaats in 1929.
In het Oldambt legden op 1 mei meer dan vijfduizend landarbeiders het werk neer om hun eis om meer loon kracht bij te zette. Zo’n 750 boerenbedrijven werden getroffen door de
werkweigering. Om de oogst niet verloren te laten gaan haalden de boeren hulpkrachten uit Friesland en het Duitse Ostfriesland. Ook schoten boerenzoons van buiten het Oldambt te hulp. De komst van de werkwillige ‘onderkruipers’ zette bij de stakers kwaad bloed. Af en toe ontstonden daarom opstootjes. Het geweld escaleerde op 29 mei. De ingezette marechaussee schoot bij ongeregeldheden in Finsterwolde met scherp.
Een kogel trof de 31-jarige groenteventer Eltjo Siemens, een toevallige omstander.
Op het kerkhof van Finsterwolde werd dit monument op zijn graf opgericht.
Begin oktober werd de staking beëindigd. De stakingskassen waren leeg en het wreekte zich dat de boeren door de hulp van buiten toch de oogst binnen kunnen halen.
Bovendien waren de stakers onderling verdeeld gebleken.
Uiteindelijk kwam er voor de arbeiders geen dubbeltje bij.

Oost-Groningen was lange tijd een rode streek, waarvan sommige delen zelfs dieprood
kleurden, zoals deze straatnaam bij Nieuw-Beerta al aangeeft. De CPN had haast nergens
een grotere aanhang dan in de gemeenten Finsterwolde en Beerta. Deze communistische
gezindheid trok tot ver buiten de landsgrenzen de aandacht, zeker ten tijde van de Koude
Oorlog, de naoorlogse periode van spanning tussen Rusland en ‘het Westen’.
Het Amerikaanse tijdschrift Time betitelde in 1950 Finsterwolde zelfs als ‘Little Moscow’. Aanleiding voor het bericht was de aanstelling van PvdA-burgemeester Harm Tuin als regeringscommissaris. Deze maatregel werd genomen op grond van artikel 146, lid 4 van de Grondwet, waarin bepaald werd dat de regering een noodverordening moest treffen als ‘de regeling en het bestuur van de huishouding ener gemeente door den Gemeenteraad grovelijk werd verwaarloosd. ‘ Directe aanleiding voor de noodmaatregel was het besluit van de Gemeentelijke Instelling voor Sociale Zaken om – tegen de zin van burgemeester Tuin in – tachtig stakende DUW-arbeiders een uitkering te verstrekken.

hamer_en_sikkel
Hamer en Sikkel

luchtwachttorens
Luchtwachttorens

In de jaren vijftig werden in Nederland zo’n 160 luchtwachttorens  gebouwd.
De hierin gestationeerde waarnemers hadden als taak . Laagvliegende vliegtuigen te signaleren en te volgen. Russische vliegtuigen uiteraard, want de vijand werd – de Koude Oorlog woedde in alle hevigheid – uit het oosten verwacht. In de provincie Groningen werden dergelijke torens, gemaakt van prefab betonnen panelen, gebouwd bij Warfhuizen, Bedum en Westerlee. Na de verbetering van radarapparatuur in de jaren zestig, die nu ook vliegtuigen lager dan 1500 meter kon waarnemen, werden de torens overbodig. Alleen de toren in Warfhuizen, hier op de foto, is nog min of meer intact.

Burgemeesters waren ervoor de Bataafs-Franse tijd (1798-1813) alleen in de twee steden
in de provincie, Appingedam en Groningen. De laatste had er zelfs vier, die om de vier
jaar aftraden. Pas toen er in 1808 op het platteland gemeenten werden gevormd, moest
er vanzelfsprekend ook een hoofd van de gemeente komen. Deze functie werd vanaf 1811, omdat Nederland inmiddels bij het Franse keizerrijk was ingelijfd, aangeduid als maire. Na 1819 werd de naam van het ambt schout, vanaf 1825 burgemeester.
Hij werd, zoals vandaag de dag ook nog gebeurt, door de Koning benoemd.
In veel Groninger plattelandsgemeenten was gedurende de negentiende eeuw een
‘gezeten landbouwer’ de meest aangewezen kandidaat voor het ambt.

Ook was het niet ongebruikelijk dat er heuse burgemeestersfamilies ontstonden.
Deze brief uit 1822 is gericht aan Pieter Harms Hermans, van 1819-1841
schout/burgemeester van Nieuwolda en tevens landbouwer. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Harm Pieters Hermans, eveneens werkzaam als boer.

brief
Brief uit 1822 gericht aan Pieter Harms Hermans

gat
Het stadhuis op de Grote Markt in Groningen

Het stadhuis op de Grote Markt in Groningen kent een haast dramatische wordingsgeschiedenis. Die begon in 1774 toen het oude onderkomen van het stadsbestuur, het raaden wijnhuis dat op dezelfde plek stond, te bouwvallig was geworden. Een rijsvraag werd uitgeschreven voor een ontwerp voor te plegen nieuwbouw. Uit de 38 binnengekomen inzendingen werd dat van Jacob Otten Husley, directeur van de Amsterdamse stadstekenacademie, als winnaar uitverkoren. Het werk begon daarna voortvarend: het oude stadhuis werd gesloopt, het stadsbestuur trok in een noodonderkomen in de Oude Boteringestraat en aan het eind van 1776 was de bouwput aan de Grote Markt uitgegraven. Daarna stagneerde de bouw, mede omdat de kosten veel hoger bleken uit te vallen dan begroot. Het gat in de Grote Markt zorgde voor jarenlang geklaag van omwonenden die te kampen hadden met water dat vanuit de bouwput hun kelders binnenstroomde. Pas in 1792 werd besloten een versoberd ontwerp uit te voeren. De eerste verdieping daarvan was twee jaar later gereed. De komst van de Fransen legde de werkzaamheden opnieuw voor enkele jaren stil. In oktober 1806 kon de eerste raadsvergadering in het nieuwe stadhuis worden gehouden. De uiteindelijke voltooiing volgde ten slotte in 1809-1810. Tal van onderdelen ontbraken toen echter nog en de binnenzijde was niet afgewerkt.

Het gemeentehuis van Bellingwolde, gefotografeerd omstreeks 1930. Het pand werd gebouwd in 1915. Tot die tijd had het gemeentebestuur zijn onderkomen in de herberg links op de foto, die tevens dienst deed als burgemeestersbehuizing.
Sinds de Drankwet van 1881 was het eigenlijk niet meer toegestaan dat het gemeentebestuur vergaderde in gelegenheden waar ook alcoholische dranken werden geschonken. Een simpele interne verbouwing waarbij het vergaderlokaal werd afgescheiden van de horeca bood voor veel gemeenten, ook voor Bellingwolde, een voorlopige oplossing. Toen de gemeente begin vorige eeuw steeds meer taken kreeg, waren veel oude onderkomens te klein. Overal verrezen in het eerste kwart van de eeuw dan ook nieuwe gemeentehuizen.

gemeentehuis
Het gemeentehuis van Bellingwolde, gefotografeerd omstreeks 1930.

berlage
Berlage in Usquert

De gemeente Usquert gold begin vorige eeuw, door de vele vermogende landbouwers die er woonden, als de rijkste van Nederland. Misschien dat daarom in 1928 de keus voor een architect van het nieuwe gemeentehuis viel op de vermaarde H.P. Berlage?
In diens oeuvre geldt het Noord-Groninger raadhuis als een de belangrijke werken, maar de architect moest tijdens de bouw een behoorlijke veer laten. Tijdens het werk bleek de vorm van de toren niet aan Berlage’s esthetische verwachtingen te voldoen.
Het euvel werd opgelost door de toren iets te verhogen.
De gemeenteraad van Usquert was echter niet bereid om de meerkosten te betalen, waarop Berlage de benodigde 1200 gulden uit eigen portemonnee betaalde.

Groningen was na de bevrijding in april 1945 een stad zonder hart. Veel oude panden rondom de Grote Markt hadden onherstelbare schade opgelopen. De plannen voor Wederopbouw verliepen moeizaam. Het oude stadhuis uit 1810 stond daarin, hoewel het
redelijk onbeschadigd uit de strijd was gekomen, ook ter discussie. Moest het worden uitgebreid of diende er volledige nieuwbouw plaats te vinden?
In de gemeenteraad toonden de KVP en de communisten zich voorstanders van sloop.
Na veel discussie werd het uitbreiding. De plannen daarvoor van de architect Jo Vegter dateerden van 1953, maar pas in 1958 werd met bouwen begonnen. De uitbreiding werd met een luchtbrug verbonden met het oude stadhuis. Het tussengelegen Goudkantoor werd toegankelijk gemaakt met een kenmerkende ‘staatsietrap’ aan de Herestraatzijde.
In juli 1962 werd het complex feestelijk opgeleverd.
Even feestelijk als de opening was de afbraak. Nieuwe opvattingen over het Groninger stadshart hadden geleid tot het besluit om de Waagstraat te herstellen.
De stadhuisuitbreiding werd daarom in 1994 weer afgebroken.
De sloop werd op 23 september van dat jaar ingeleid door het ‘multimediaspektakel’ Requiem voor een nieuw Stadhuis. De massaal toegestroomde Stadjers zagen hoe een enorme knipschaar zich als een draak oprichtte en een hap uit het gebouw nam.

stadhuis
Het oude stadhuis uit 1810 met Goudkantoor

jonk
Het affiche van de Grönneger Bond voor de Statenverkiezingen van 1974

Het affiche van de Grönneger Bond voor de Statenverkiezingen van 1974 doet onbewust denken aan de geruchtmakende poster van de PSP uit 1971, met daarop een bloot meisje
poserend met een koe. De Grönneger Bond, onder voorzitterschap van de Veendammer economiedocent Harm Hindrik Meijer (1919-1988), kon in 1974 alle aandacht dan ook wel gebruiken. In de politieke arena was ze dat jaar een nieuwkomer.
De partij verzette zich tegen de vermeende achterstelling van de provincie Groningen en eiste meer ruimte voor de Groninger cultuur en taal. Meijer pleitte er daarom voor het Gronings als leervak in het onderwijs in te voeren en dit eveneens als spreektaal in het openbaar bestuur te hanteren. Het streven naar een zelfstandig ‘laand Grönnen’ zorgde begin jaren tachtig voor een naamswijziging tot Federalistische Partij Grunneger Bond.
De partij, die nooit een zetel zou halen, werd in 1987 opgeheven.

huis
In en om huis

familie
Gezellig zit deze stad-Groninger familie begin jaren vijftig in de huiskamer.

Gezellig zit deze stad-Groninger familie begin jaren vijftig in de huiskamer.
Dit vertrek, waarin zich een groot deel van het gezinsleven voltrekt, is eigenlijk nog maar een vrij recent fenomeen en bovendien typerend voor een stedelijke omgeving.
De huizen van de bovenklasse hadden een ‘salon’, maar de meeste overige huishoudens hadden tot in de vorige eeuw een gecombineerd woon- en slaapvertrek.
De bedsteden bevonden zich daar in de woonkamer. In veel boerderijen was de keuken het hart van het huis – en in veel gevallen is dat nog steeds zo. De voorkamer was gereserveerd voor de zondagen en het ontvangen van visite. De oudste woonhuizen en boerderijen werden in hout gebouwd. Pas in de dertiende eeuw kwam het gebruik van baksteen op. De middeleeuwse stenen huizen zijn nu vaak onherkenbaar door latere verbouwingen. Op het Groninger platteland herbergen enkele pastorieën en boerderijen nog de resten van een zogenaamd steenhuis. In Niebert heeft het van omstreeks 1400 daterende Iwema-steenhuis, tegenwoordig het voorhuis van een boerderij, zelfs zijn oorspronkelijke vorm min of meer behouden.

adel
‘My home is my castle’ gold letterlijk voor de Ommelander adel.

‘My home is my castle’ gold letterlijk voor de Ommelander adel. Hun behuizingen, de borgen, ontstonden veelal uit steenhuizen. Toen de weerbare functie daarvan overbodig was geworden, groeiden ze uit tot fraaie buitenplaatsen. Toch hadden de meeste families ook een huis in Stad om daar de wintermaanden door te kunnen brengen.
Echt comfortabel werd het binnenshuis pas in de tweede helft van de vorige eeuw.
Elektriciteit, petroleum en gas zorgden voor licht en warmte, en bovendien – zeker na de introductie van aardgas begin jaren zestig – voor gemak. Ook tal van huishoudelijke apparaten maakten het bestaan van de huisvrouw gemakkelijker.

De oudste delen van de pastorie van Warffum dateren van omstreeks 1300.
Daarmee is het gebouw een van de oudste steenhuizen in de provincie Groningen. Steenhuizen waren in hun meest uitgebreide vorm ‘woontorens’ van soms wel vier of vijf bouwlagen hoog. In de Middeleeuwen hadden ze meervoudige functies. Ze dienden als woonruimte voor hoofdelingen, pastoors en boeren en fungeerden als opslagplaats. Bovendien hadden ze vaak een verdedigbaar karakter. Kenmerken daarvan zijn onder andere de dikke muren, voorzien van licht- en schietsleuven, een ingang op de eerste
verdieping – te bereiken via een verwijderbare trap – en een omgrachting.
Steenhuizen in hun oorspronkelijke vorm zijn er in de provincie niet meer te vinden.
Veel werden er verwoest tijdens het strijdgewoel in de late Middeleeuwen, andere groeiden uit tot een borg of verwerden – door latere verbouwingen nu dikwijls onherkenbaar – tot het voorhuis van een boerderij.

pastorie
De oudste delen van de pastorie van Warffum dateren van omstreeks 1300.

borgen
De Menkemaborg in Uithuizen.

Ooit telde de provincie Groningen meer dan 150 borgen, buitenverblijven van de Ommelander jonkers en andere prominente families. Tegenwoordig is daarvan nog maar een handjevol over, zoals de Menkemaborg in Uithuizen. Deze ontstond, zoals ook veel andere borgen, uit een middeleeuws versterkt woonhuis, een zogenaamd steenhuis.
Van de geschiedenis van Menkema vóór 1600 is weinig bekend.
Een gevelsteen vermeldt een verbouwing in 1614 door het echtpaar Osebrand Clant en Josina Manninga. Zij breidden het oude huis, het oostelijke (achterste) gedeelte, aanzienlijk uit. De borg kreeg haar huidig uiterlijk door een ingrijpende verbouwing omstreeks 1700 door Unico Alberda. De familie Alberda kwam in 1682 in het bezit van de Uithuizer borg en deze tak werd sindsdien ook wel Alberda van Menkema genoemd.
Toen de laatste borgbewoner Gerhard Alberda van Menkema in 1902 ongehuwd en kinderloos overleed, kwam Menkema leeg te staan.

Gerhard was tevens eigenaar van Dijksterhuis bij Pieterburen.
Deze borg werd gesloopt, maar Menkemaborg werd gespaard.
De erfgenamen van Alberda schonken het huis in 1921 aan het Groninger Museum.

Dijksterhuis (ook wel Ten Dijke genoemd) in Pieterburen was de laatste borg in de provincie Groningen die werd afgebroken. Vermoedelijk werd het versterkte huis in de veertiende eeuw gebouwd op een op het Wad gelegen zandplaat. Pas door latere bedijkingen kwam Dijksterhuis binnendijks te liggen. Een van de meest roemruchte bewoners was de Hollandse watergeus Diederik Sonoy die van 1594 tot 1597 op Dijksterhuis verbleef. Zijn rouwbord is nog te vinden in de kerk van Pieterburen, waar hij in juni 1597 in bijzijn van stadhouder Willem Lodewijk van Nassau in de grafkelder werd bijgezet. Aan het begin van de achttiende eeuw kwam Dijksterhuis in het bezit van de familie Alberda. Nadat de laatste eigenaar uit dit geslacht Gerhard Alberda in 1902 overleed, verkochten zijn erfgenamen de borg voor een bedrag van 2475 gulden.
Zij verbonden aan de verkoop de voorwaarde dat Dijksterhuis voor 1 september 1903 gesloopt diende te worden. Dat gebeurde ook, ondanks pogingen van historisch bewuste Groninger notabelen om het huis te behouden.

dijksterhuis
Dijksterhuis (ook wel Ten Dijke genoemd) in Pieterburen.

stadsresidentie
De stadsresidentie van de heer van Bierum, Daniël Henri l’Argentier du Chesnoy

Erg comfortabel was het bewonen van een borg in de wintermaanden niet.
De grote gebouwen waren lastig warm te stoken en bovendien was het – sociaal – verkeer lastig omdat veel wegen op het platteland ’s winters moeilijk begaanbaar waren.
Adellijke families hadden doorgaans dan ook een huis in de Stad waar in de periode van de korte dagen werd vertoefd. De stadsresidentie van de heer van Bierum,
Daniël Henri l’Argentier du Chesnoy, gehuwd met Elisabeth Petronella Lewe van Aduard, was dit pand aan de Vismarkt (nr. 40) in Groningen. In 1723 liet hij het in oorspronkelijk middeleeuwse huis verbouwen naar de nieuwste mode. In de rijke decoratie,
het huis heeft een van de grootste klokgevels van Nederland, zijn invloeden aan te wijzen van wat de’Friese Hofstijl’ wordt genoemd. Van het eveneens rijke interieur is vandaag de dag niet veel meer over maar het huis, waarin een winkel is gevestigd,
kan vandaag de dag nog steeds worden bewonderd.

Opvallend in de stad Groningen zijn de natuurstenen vensterbekroningen in de vorm van een schelp. Ze komen voor bij huizen die in de eerste helft van de zeventiende eeuw zijn
gebouwd. In Noord-Duitsland zijn soortgelijke decoraties te vinden. Het verhaal wil dat deze vorm van versiering in Groningen werd geïntroduceerd door ballingen die in de eerste jaren van de Tachtigjarige Oorlog in Emden verbleven en na 1594 terugkeerden naar Stad. Het oudste pand waaraan de schelpen nog te zien zijn is Zwanestraat

nummer 12 (foto onder). Een gevelsteentje vermeldt daar het bouwjaar 1612.

schelpen
Het oudste pand waaraan de schelpen nog te zien zijn is Zwanestraat nummer 12.

boerderijtype
De kop-hals-romp-boerderij in Noord-Groningen.

De kop-hals-romp-boerderij is in Noord-Groningen het meest voorkomende boerderijtype. Ze ontleent haar naam aan de gelijkenis met een liggende koe.
Het voorhuis staat, zoals ook bij deze boerderij aan de Onderdendamsterweg in Warffum, doorgaans a-symmetrisch voor de schuur. In het tussendeel, de hals, was de keuken gevestigd. Hier vond ook de bereiding van melkproducten plaats.
De boerderij op de omstreeks 1920 gemaakte foto heeft nog een authentiek voorhuis met twee tuitgeveltjes. Links daarvan is nog de stookhut zichtbaar.
Daar werd het veevoer gekookt, en ’s zomers ook wel het eten voor het huisgezin.

De Oldambtster boerderij heeft als kenmerk dat schuur en woongedeelte onder één nok zitten. Naar het voorhuis toe versmalt de boerderij zich door inspringende zijmuren,
krimpen genoemd. In de tweede helft van de negentiende eeuw, toen de welvaart in de landbouw toenam, bouwden veel herenboeren een nieuw statig voorhuis aan de boerderij. Predikant U.P. Goudschaal merkte in 1877 over de bouwwoede op:
‘Tal van boerderijen, waarin men zich tot dusver beholpen had, werden afgebroken, en door smaakvolle, en kostbare gebouwen vervangen. De dorpen, zooals ik die vóór
40 a 50 jaren gekend heb, zijn nagenoeg overal herschapen.
Woningen zelfs, die in genoemden tijd als sterren blonken, werden niet te goed geacht om ze te slopen en met ware kasteelen te verwisselen/ Het viIla-voorhuis van de hier afgebeelde boerderij Ebels in de Kroonpolder dateert van 1894.
Bij de boerderij ligt naar de mode van die tijd een slingertuin.

ebels
Boerderij Ebels in de Kroonpolder dateert van 1894.

slingertuin
Slingertuinen aangelegd, zoals bij een boerderij in Westerlee.

Bij veel grote boerderijen werden vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw
slingertuinen aangelegd, zoals in dit geval bij een boerderij in Westerlee. De tuinen kenmerken zich door het bochtig verloop van de paden en de waterpartijen, waarin vaak het voorhuis van de boerderij nog eens weerspiegelde. Vanaf de paden waren er verschillende fraaie doorkijkjes naar de boerderij. De uitgegraven vijvergrond werd opgeworpen tot een ‘bergje’ . Dat ontrok als het even kon de moestuin en de bedrijfsgebouwen aan het oog. Veel slingertuinen raakten in de loop van de vorige eeuw in verval, maar worden nu op grote schaal weer gerestaureerd. Dichter Bert Schierbeek, opgegroeid in Beerta, gaf in zijn bundel Weerwerk een aardige verklaring voor de populariteit van deze tuinaanleg in Groningen:
‘ik denk dat zij slingeren / dwz bochtjes maken omdat / in dit land alles recht is /
en daarom waarschijnlijk aangenaam voor’t oog / als contrast’.

Een groot deel van het huishoudelijk werk bestond vroeger uit schoonmaken.
Op boerderijen was de ‘grote meid’ de hele ochtend bezig met het schuren en schoonmaken van karn, emmers, juk, koperen ketels en platen en de rekjes van de haard.
Ook moest ze de keuken, het karnhuis, de kelders en de brede gang schrobben voordat ze zich ’s middags aan het melken van de koeien en het voeren van de kalveren kon wijden.
De meest grondige zuiveringsactie, de Grote Schoonmaak met hoofdletters, vond traditiegetrouw in het voorjaar plaats. In de lente werden ook de stallen geschoond, waarbij alles werd geschuurd met kalk. De muren van zowel de schuur als koestal werden dan gewit. Deze foto van de buitenschoonmaak, waarbij de gevels en het buitenschilderwerk werden gereinigd, werd omstreeks 1900 gemaakt bij boerderij
Hegge in Kloosterburen.

schoonmaak
De buitenschoonmaak bij boerderij Hegge in Kloosterburen.

arbeidershuisjes
Nog gaaf ogende ensemble arbeiderswoningen.

Gedurende de achttiende en een deel van de negentiende eeuw woonde het personeel van een boerderijenbedrijf vaak bij de boer in. In de schuur waren bedsteden voor meiden en knechteg. Twee ontwikkelingen zorgden er voor dat de boer en zijn personeel steeds verder van elkaar af kwamen te staan. Enerzijds ging het boergezin steeds meer hechten aan de eigen privacy, anderzijds waren door de bloei van de landbouw steeds meer handen nodig, zodat een beroep gedaan werd op dagloners, losse arbeiders die voor meerdere boeren werkten. Vanzelfsprekend woonden zij zelfstandig.
„Woningen van landarbeiders waren er in soorten en maten. Soms staan ze dicht bij een boerderij, soms in groepjes bij elkaar. In een enkel geval ontstonden er zelfs nederzettingen met bijna alleen maar arbeiderswoningen. Het dorp Kleine Huisjes bij Kloosterburen is daarvan een treffend voorbeeld. De woningen hadden vaak maar een enkele kamer, waarin de bedsteden waren aangebracht. Een schuur in het achterdeel van het huis werd gebruikt als opslagplaats voor turf of om een schaap of geit te houden.
Negentiende-eeuwse arbeidershuizen met een authentiek uiterlijk zijn tegenwoordig schaars geworden. Ze zijn vanwege de slechte bouwkwaliteit afgebroken of stevig verbouwd om te voldoen aan de huidige woonwensen.
Dit nog gaaf ogende ensemble arbeiderswoningen staat op de wierde Ewer bij Zuurdijk.

Een slager poseert begin vorige eeuw met een geslacht varken achter een boerderij in
Mensingeweer. Veel boeren en arbeiders mestten voor eigen consumptie een varken.
Doorgaans ging dit in november, de slachtmaand bij uitstek, op ledder’.
Om het vlees houdbaar te houden in de tijd voor de diepvriezer, werd het flink gezouten
en daarna gedroogd in de zwiem’ de ruimte tussen de balken in het plafond van de keuken. Veel Groninger dorpen hadden tot in de naoorlogse jaren een ‘spekclub’ waarvan de leden gezamenlijk een varken kochten en lieten slachten.

huisslacht
Een slager poseert begin vorige eeuw met een geslacht varken.

schaap
Het schaap staat op de onverharde vloer van de schuur.

Huisarts Pieter Bloemers Middendorp uit Bellingwolde ondernam vanaf het najaar van 1913 met de Winschoter fotograaf Tonnis Post regelmatig tochten door Westerwolde om daar erbarmelijke woonomstandigheden vast te leggen.
Zijn doel was om hierin verbetering aan te brengen, door de problematiek onder de aandacht van een groot publiek te brengen. Het betoog van Middendorp werd, met een deel van de gemaakte foto’s, in 1914 gepubliceerd in het tijdschrift Het Groene en het Witte Kruis onder de titel ‘Versche lucht en zonlicht in onze woning’.
Als gevolg van de inspanningen van Middendorp werden veel huizen onbewoonbaar verklaard, overigens dikwijls zonder dat aan de bewoners een beter alternatief werd geboden. De afgebeelde foto werd gemaakt in de schuur bij de woning van Fr. Smit en J. Kuiper in De Lethe (Bellingwolde). De stenen vloer (links) liep in de richting van de woonkamer; het schaap staat op de onverharde vloer van de schuur.

Een bezienswaardigheid in Appingedam zijn de hangende keukens boven het Damsterdiep. Deze kwamen tot stand toen de pakhuizen voor bewoning werden gebruikt, en ruimtegebrek een uitbreiding boven het water noodzakelijk maakte. De foto werd aan
het begin van de vorige eeuw gemaakt.

damster_keukens
Damster Keukens

riolering
De aanleg van riolering in de Johan Lewstraat in Middelstrum.

De aanleg van riolering in de Johan Lewstraat in Middelstrum.
De foto werd gemaakt in de jaren dertig. Voor de komst van riolering deden de meeste Groningers hun behoefte op een emmer of tonnetje, geplaatst onder een privaat
( ‘poepdoos’ ) . In de stad werd de inhoud daarvan sinds 1822 geregeld opgehaald door
fecali
ënwagens van de gemeente. Het stdsvuil werd verzameld op een van de ‘drekstoepen’ buiten de stadswallen en daar verwerkt tot compost. Die werd als meststof verkocht, vooral naar de veenkoloniën. Op het platteland verdween de inhoud van emmer of ton vaak eenvoudigweg direct in de tuin of op het land.

Vóór de overschakeling van Nederland op aardgas begin jaren zestig, werden in het huishouden verschillende brandstoffen voor kachel en keuken gebruikt: turf, hout, olie of petroleum. De – voornamelijk welgestelde – inwoners van de stad Groningen konden bovendien vanaf 1854 gebruik maken van gas. De dat jaar aan het Boterdiep geopende gasfabriek produceerde ‘stadsgas’ uit steenkolen. Enkele grotere dorpen op het omringende platteland kregen in de eeuw daarna ook een dergelijke inrichting. Aan het einde van de negentiende eeuw deed de muntmeter zijn intrede, om ‘de arbeidende klasse in staat te stellen voor kleine hoeveelheden, naarmate zij die noodig hebben, vooruit te betalen’. In de woning was daartoe een muntmeter geplaatst, die periodiek door een meteropnemer werd geleegd. Bedoeling hiervan was om de angst voor hoge maandrekeningen weg te nemen: men kon nu precies bepalen hoeveel gas werd gebruikt.

muntgas
Muntgas voor de muntmeter.

laagspanningsnetten
De NV Laagspanningsnetten drukte in 1940 deze Groningstalige reclame op haar rekeningen.

Elektriciteit zorgde voor een revolutie in het huishouden. De productie en distributie werden in Groningen lange tijd verzorgd door twee aparte bedrijven. Naast het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf (PEB), dat vanaf 1914 vanuit de Helpmancentrale in Groningen de levering van stroom verzorgde, bestond als een zelfstandig elektriciteitdistributiebedrijf de NV Laagspanningsnetten. Beide bedrijven fuseerden pas in 1977 tot Elektriciteitsbedrijf voor Groningen en Drenthe. De NV Laagspanningsnetten drukte in 1940 deze Groningstalige reclame op haar rekeningen.

Kolenboeren hadden vooral in oktober een drukke tijd. Ze reden die maand massaal af en aan om de wintervoorraad van hun clientèle voor de naderende winter op peil te brengen. Deze rekening van de Veendammer brandstoffenhandel Fokkens geeft een intrigerend inzicht in de voor jongere generaties niet meer te begrijpen diversiteit in kolen en andere soorten ‘huisbrand’ eind jaren vijftig.

Rekening van de Veendammer brandstoffenhandel Fokkens

telefoon
Telefoneren was in Groningen mogelijk vanaf 1883.

Jongere generaties kunnen zich er misschien weinig meer bij voorstellen, zeker nu nog maar 3 % van de Nederlanders niet over een mobieltje beschikt, maar telefoneren was lange tijd geen vanzelfsprekendheid. Aanvankelijk hing het apparaat bij veel van de gelukkige bezitters op de gang, later in de woonkamer aan de wand, zoals hier bij de familie Nanninga in de stad Groningen. Niet heel comfortabel om zo staand te telefoneren, maar het ‘gezelligheidsbellen’ had dan ook nog niet zijn intrede gedaan.
Telefoneren was in Groningen mogelijk vanaf 1883. Twee jaar daarvoor ontving het stadsbestuur een schrijven van de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij, die de wens uitsprak dat in Groningen zich, in navolging tot Amsterdam waar het bedrijf al actief was, ook’de behoefte aan telephonische gemeenschap zal doen gevoelen.
‘ Op 1 November 1883 begon de NBTM voor circa zestig abonnees met haar dienstverlening. De eerste telefooncentrale was gevestigd in het’Blokhuis’ het pand op
de hoek van de Grote Markt en Herestraat (later bekend als Bakker Bart).

over_water_en_weg
Over water en weg

noorden
Het afreizen naar het hoge noorden (liever nog: Het Hoge Noorden)

Sinds 1868 is Groningen per spoor te bereiken. De trein betekende een snellere manier van reizen dan de postwagen en de trekschuit, de eeuwen ervoor de meest gebruikelijke vervoersmiddelen voor wie lange afstanden wilde overbruggen. Niet voor niets wordt het Groninger hoofdstation bekroond door een gevleugeld wiel.
Toch blijkt Groningen nog steeds té ver weg te liggen, vooral in de beleving van veel ‘Hollanders’. Niet zonder ironie schreef de Amsterdamse hoogleraar Herman Pleij over de vermeende afstand: ‘Het afreizen naar het hoge noorden (liever nog: Het Hoge Noorden)
roept bij de gemiddelde Randstedeling gedachten op aan ontbering, kou en afvriezende lichaamsdelen.’ Een tandje erger: ‘de trein maakt na Zwolle een wat tegenstribbelende indruk door voortdurend aanstalten te maken te gaan stoppen, zelfs als er geen perron is.’ Juist Het Hoge Noorden zorgde bij veel Nederlanders voor een eerste kennismaking met de grote wereld. De Bosatlas, veelvuldig gebruikt in het onderwijs, verschijnt als sinds 1877 bij een Groninger uitgever. Samensteller van de eerste edities was Pieter Roelf Bos
(1847-1902), aardrijkskundedocent in Stad. Bos was ondanks zijn geografische kennis geen reislustig man. Slechts één maal schijnt hij een reisje naar Parijs gemaakt te hebben.
Zijn leven speelde zich goeddeels tussen af in zijn huis aan de Sint-Walburgstraat (later Nieuwe Boteringestraat), gelegen op een paar minuten loopafstand van de HBS aan de Grote Kruisstraat, en uitgeverij Wolters aan de Oude Boteringestraat. Vanuit dit stukje Stad, minder dan één vierkante kilometer groot, bracht hij voor velen de wereld in kaart.

In dit hoofdstuk staan daarom ook enkele verhalen over Groningers die over water en weg de provinciegrens wél (ver) overschreden.

busvervoer
Busvervoer

Op deze ‘stedenwijzer’ uit 1735 zijn de reistijden tussen de grote plaatsen in de Republiek aangegeven. Daaruit wordt duidelijk dat reizen vanuit Groningen geen sinecure was.
Een reis naar Amsterdam duurde zo’n 40 tot 48 uur (exclusief rusttijden) en naar Zwolle was men met de postwagen zeker 20 uur onderweg.
Die laatste reis begon ’s morgens al om vijf uur. Passagiers dienden de avond tevoren een plaats in de wagen te reserveren en mochten 12,5 kilo handbagage meebrengen.
Om elf uur was Assen bereikt, na twee verplichte rusthaltes van een kwartier voor de paarden onderweg. In de Drentse hoofdplaats werd een uur gepauzeerd, waarna koers werd gezet naar Beilen, dat om twee uur werd bereikt. Daar stapten de reizigers over in de postwagen uit Zwolle, na wéér een uur rust. In De Wijk, dat om tien uur’s avonds werd bereikt, werd overnacht. De reis naar Zwolle duurde de volgende dag nog eens zes uur.

stedenwijzer
Op deze ‘stedenwijzer’ uit 1735 zijn de reistijden tussen de grote plaatsen.

rolpaal
In scherpe bochten was een rolpaal geplaatst..

De trekschuit (‘snik’) was vroeger de meest comfortabele manier om te reizen.
De provincie Groningen had een uitgebreid trekvaartenstelsel.

Vanaf de zeventiende eeuw voeren hierop gereguleerde diensten.
Snel ging de reis over het water niet.
Afstanden werden met een tempo van zo’n 6 kilometer per uur overbrugd.
Een Duitse reiziger die begin negentiende eeuw Groningen bezocht meende dan ook dat het woord snik was afgeleid van Schnecke… Langs de kanalen lagen jaagpaden voor de scheepsjager. Op hem werd een beroep gedaan op vaarwater waar niet kon worden gezeild, bijvoorbeeld door de vele bruggen en sluizen of vanwege een te geringe breedte van het kanaal. Soms hing de scheepsjager zelf ‘in de liene’ maar vaak gebruikte hij een paard om het schip te trekken. In scherpe bochten was een rolpaal geplaatst,

waarlangs de jaaglijn geleid kon worden zodat het schip niet tegen de wal werd getrokken. Twee rolpalen zijn te zien op deze foto van café Tiddens aan het Damsterdiep in Ten Post, één van de gelegenheden waar reizigers op en af konden stappen of even konden ravitailleren.

Dankzij Abel Tasman (1603-1659) is Lutjegast beroemd in Australië en Nieuw Zeeland.
De aanwijsbare banden van de ontdekkingsreiziger met zijn geboortedorp in het Westerkwartier zijn niet overvloedig. Enkel in de akte uit 1631 van zijn huwelijksaankondiging in Amsterdam heet het ‘Abel Janszoon Tasman van de Luttiegast
vaerentsgesel oud 28 jaer’. Twee jaar daarna trad Tasman in dienst van de Verenigde
Oostindische Compagnie. Faam maakte hij in 1642 als commandeur van het jacht Heemskerck en de fluit Zeehaen. Met deze kleine wendbare schepen kreeg hij de opdracht de kusten van het goeddeels nog onbekende ‘Zuidland’ (Australië) in kaart te brengen. Op zijn reis voer Tasman echter in een wijde boog om Australië heen. Hij ontdekte wel de kusten van Tasmanië en Nieuw-Zeeland. Op Tasmanië sloeg hij een paal met de letters VOC in de grond en plantte er de prinsenvlag. Het nieuw ontdekte eiland dat later zijn naam zou dragen noemde hij Van Diemenland, naar de gouverneur-generaal van de VOC. Aan de Nieuw-Zeelandse kust, door Tasman Staten Landt gedoopt, raakten de Nederlanders in gevecht met Maori’s die vier bemanningsleden doodden. De reis was geen onverdeeld succes: er waren wel veel ontdekkingen gedaan, maar landverkenningen waren niet uitgevoerd. Voor de handel leverden de contacten met de lokale bevolking niets op. Twee jaar later wist Tasman op een nieuwe expeditie de westkust van Australië deels in kaart te brengen. Toen hij in 1659 als vermogend koopman in Batavia overleed, liet hij 25 gulden na aan de armen van Lutjegast.

kaaart
Kaart van de reizen van Abel Jansz.

groningen
Het ‘andere’ Groningen ligt in Suriname

Pas op bij het instellen van de tomtom: er zijn meer Groningens! Het ‘andere’ Groningen ligt in Suriname, op de linkeroever van de Saramaccarivier. De plaats ontstond rondom een in 1790 gebouwd vijfhoekig fort. De toenmalige gouverneur van Suriname Jan Gerhard Wichers (1745-1808) noemde het naar zijn geboortestad. De omvang van de nederzetting bleef lange tijd beperkt tot een fort, wat straten, een kerkje en een kerkhof. Van grotere, maar kortstondige, drukte was sprake in 1845. Toen arriveerden in Groningen de overlevenden van een groep boeren die onder leiding van enkele predikanten vanuit Nederland naar Suriname was geëmigreerd. Op de plantages Voorzorg en Mijn Vermaak, gelegen aan de overzijde van de Saramacca, hadden zij geprobeerd een nieuw bestaan op te bouwen. De onderneming mislukte echter faliekant. Binnen zes maanden stierven bijna 200 van deze zogeheten ‘Boeroe’s’ aan de tyfus. De rest vestigde zich in Groningen, waar ook nog talloze van hen overleden. Pas na 1960 nam het afgelegen Groningen in betekenis toe, toen de weg naar Paramaribo gereed kwam.

Klaas Jzn. Beukma (1779-1860), hier gefotografeerd met zijn tweede echtgenote Johanna Maria van der Berg, was landbouwer op de boerderij Castor bij Zuurdijk. In 1835 vertrok hij naar Amerika, teleurgesteld in het landbouwbeleid van de overheid. Daarmee geldt hij als de eerste Groninger landverhuizer. Met hem mee verhuisden zijn drie zoons en een dochter. De familie Beukma vestigde zich eerst in Lafayette, Indiana, waar Klaas Jans groente en fruit verbouwde. In 1849 trok hij naar Plainfield, New Jersey aan de oostkust, omdat hij het culturele leven aan de ‘frontier’ te armzalig vond. De brieven die Beukma naar Nederland schreef verschenen in de krant en werden eveneens in boekvorm uitgegeven. Ze waren bedoeld om ook andere Groningers tot emigratie over te halen. Via familieleden die Beukma in Amerika opzochten vonden geavanceerde landbouwwerktuigen, zoals de Arendploeg, hun weg naar Groningen. Beukma bezocht in 1846/47 nog één maal zijn vaderland. Bij die gelegenheid liet hij in de buitenmuur van de kerk van Zuurdijk een gedenksteen aanbrengen ter ere van zijn eerste echtgenote Aafke Smith, overleden in het jaar voor de emigratie.

landverhuizer
Klaas Jzn. Beukma (1779-1860) met zijn tweede echtgenote Johanna Maria van der Berg

kenia
Abeltje begin 1940 tijdens een verblijf in Kenia.

Als er in de jaren dertig al plezierreisjes naar het buitenland werden ondernomen, beperkten de bestemmingen zich doorgaans tot plaatsen langs de Rijn of Moezel of in de Belgische Ardennen. Het echtpaar Max Westerdijk en Abeltje Elema,
afkomstig uit boerenfamilies in respectievelijk Uithuizermeeden en Usquert,
was een stuk avontuurlijker aangelegd. Westerdijk combineerde zijn bestaan als zakenman met een boerenbedrijf in het Sallandse Beerzerveld.
Als directeur van de Twentsche Overzeese Handels Maatschappij verbleef hij veel in het buitenland. Op zijn reizen werd hij regelmatig vergezeld door zijn echtgenote,
waarbij er ook tijd werd gemaakt voor ontspanning.
Deze foto van Abeltje werd begin 1940 gemaakt tijdens een verblijf in Kenia.

Op de meeste wereldzeeën waren in de negentiende eeuw Veenkoloniale schippers te vinden. De kroon van allen spande kapitein Pieter Hendriks Hazewinkel (1804-1882) uit Veendam: hij bevoer ze allemaal. Van 1852-1854 (maakte hij met het fregatschip Bernard Hertog van Saksen Weimar een reis om de wereld. De route van de tocht is weergegeven op de aardbol die zijn graf op het Veendammer kerkhof siert.
Minder fortuinlijk verliepen de reizen van Berend J. Jonker (1816-1871), eveneens uit Veendam. Op een reis naar Indië in 1856 werd hij vergezeld door zijn vrouw Jantje Hazewinkel. Op de terugreis overleed zij aan boord.
Jonker wilde zijn geliefde echtgenote niet aan de golven van de Indische Oceaan toevertrouwen. Hij conserveerde daarom haar stoffelijk overschot in een vat met alcohol,
om haar na een reis van vele maanden in Veendam te kunnen begraven. In augustus 1871 verging Jonker met het schip Tasmania. De steen op zijn leeg graf vermeldt tragisch
‘Het mocht hem niet gelukken, aan zijn ega’s zij te rusten’.

zeemansleed
De route van de tocht is weergegeven op de aardbol op zijn graf

hoerenhondjes
Populaire hondjes (hoerenhondjes) van aardewerk

In menig huishouden in de Veenkoloniën zijn ze nog te vinden: souvenirs meegebracht door zeevarende voorouders. Bij deze populaire hondjes van aardewerk, in de negentiende eeuw gemaakt in het Engelse Staffordshire, hoort een geschiedenis die mogelijk een schaduw werpt op de reputatie van het voorgeslacht. Het verhaal wil dat in het Victoriaanse Engeland de – bij wet verboden – bordelen zich als porseleinwinkel vermomden. Bij vertrek kreeg de klant dan een paar van deze hondjes mee, om zo de werkelijk bewezen diensten te camoufleren. Door middel van de in de vensterbank geplaatste hondjes zouden ook stille boodschappen, aangaande de beschikbaarheid van de dame van lichte zeden, worden doorgegeven.

De uitdrukking ‘zo old as Stadsweg’ heeft goede grond. De weg, hier deels te zien op een kaart uit de jaren 1820, wordt al in 1301 voor het eerst vermeld.
De Stadsweg, aangelegd in verschillende fasen, verbond Groningen met Ostfriesland en Bremen. Tegenwoordig eindigt ze in Appingedam, maar vroeger liep ze door Farmsum naar Oterdum. Daar zorgde een veer voor de verbinding met Knock op de oostelijke oever van de Eems. In het handelsverkeer met Ostfriesland speelde de Stadsweg een belangrijke rol. Op verschillende plekken langs de weg konden reizigers terecht voor voedsel en onderdak. Een van die pleisterplaatsen was het johannieterklooster bij te Heveskes. Volgens bronnen van omstreeks 1540 gebruikte dat jaarlijks 300 mud rogge om voor passanten brood te bakken.

stadsweg
Stadsweg, hier deels te zien op een kaart uit de jaren 1820

wegwijzer
Wegwijzer

De nog jonge Algemene Nederlandsch Wielrijders-Bond had in 1890 ‘het bevorderen van het plaatsen van wegwijzers’ op haar programma staan. Na enige tijd ontstond het besef dat het zelf ter hand nemen van deze activiteit meer resultaat genereerde dan bij bevorderen te blijven: de Bond begon met het plaatsen van houten handwijzers.
Grootste opdrachtgever hiervoor was overigens wel de overheid.
De meeste van deze eerste houten wegwijzers overleefden de strenge winter van 1894
echter niet: ze verdwenen als brandhout in de kachel! Vanaf 1896 werden daarom ijzeren handwijzers geplaatst. Eén van deze oudste wegwijzers van Nederland – volgens velen zelfs dé oudste – is tegenwoordig nog te vinden in Noord-broek, op de hoek van de Pastorieweg en de Hoofdstraat/Noorderstraat.

De toenemende drukte op de weg, en de gevaarlijke situaties die dat opleverde, noopte in 1925 een aantal inwoners van Borgercompagnie tot een aanschouwelijke demonstratie.
Daarvoor werden alle (!) motorvoertuigen uit het dorp opgetrommeld: de Chevrolet van landbouwer Jelle Bruininga, de motoren van Jaap Weyer en stelmaker Geert Zuurman en de oude Italia van smid Harm Hak. Assistentie verleenden verder agent Themmen – die in het midden het hoofd koel probeert te houden – en fotograaf Lohman uit Veendam.
De fotografische neerslag van de operatie werd aan het gemeentebestuur van Veendam gezonden, om dit tot actie aan te zetten. Resultaat was dat het tolhuis links op de foto,
dat het zicht op de kruising belemmerde, korte tijd daarna werd afgebroken.

italia
Tolhuis links op de foto dat het zicht op de kruising belemmerde,
werd korte tijd daarna afgebroken.

straatverlichting
Foto van de Noorderhaven met fraaie gaslantaarn werd omstreeks 1910 gemaakt

Donker was vroeger ook écht donker, ’s Avonds en ’s nacht brandden alleen in de meer
dichtbevolkte gebieden in de provincie olielampen. Deze moesten door lantaarnopstekers
worden bediend. Vooral op het platteland was het oppassen om niet van de weg te
raken, in het bijzonder als er weinig maanlicht was. Pas in de tweede helft van de
negentiende eeuw begon de overheid het als haar taak te zien om te zorgen voor
openbare straatverlichting. De techniek daarvoor was al lang in huis. De Groningse
apotheker Sibrandus Stratingh demonstreerde bijvoorbeeld in de herfst van 1816 op een
vergadering van het Natuur- en Scheikundig Genootschap in Groningen hoe verlichting
met gas mogelijk werd. Na de stichting van gemeentelijke gasfabrieken later die eeuw,
maakte het olielicht overal gauw plaats voor gasverlichting. In de stad Groningen was
dat het geval vanaf 1854; de foto van de Noorderhaven met fraaie gaslantaarn werd
omstreeks 1910 gemaakt. Het gaslicht ruimde op zijn beurt het veld voor elektrisch licht.
De laatste gaslantaarn verdween in 1935 uit het Groninger straatbeeld.

Westerwolde was lange tijd een geïsoleerd deel van de provincie door de slechte
infrastructuur. In de wintermaanden veranderden de onverharde wegen in modderpoelen, zoals hier de Oude Veendijk in Veelerveen, gefotografeerd in januari 1915.
De Veendijk werd in 1920 bestraat en kreeg de naam Loosterweg.

modderpoelen
In de wintermaanden veranderden de onverharde wegen in modderpoelen

egtm
De EGTM exploiteerde de langste paardentramlijn van Europa

‘Weg met den omnibus, geef hem aan Turk of Rus / Luid klink’ door heel Veendam,
het feestlied van de Tram!’ Dit feestlied klonk in 1880, toen de tramlijn van de Eerste
Groninger Tramway-Maatschappij (EGTM) in gebruik werd genomen. De Oost-Groningers
hoefden voortaan niet meer met de trage snik of omnibus te reizen.
De EGTM exploiteerde de langste paardentramlijn van Europa. Op het hoogtepunt was deze 45 kilometer lang en liep van Zuidbroek naar Ter Apel, met een aftakking van Veendam naar Nieuwe Pekela. Gedeelten van de lijn moesten worden afgestoten omdat de tram stevig te duchten had van concurrentie van de trein. In de volksmond werd EGTM toen ook wel uitgelegd als ‘Eeuwig Geld Te Min’ . De maatschappij was in bedrijf tot 1912.

Nieuweschans was het eindpunt van de in 1868 aangelegde spoorlijn van Harlingen naar
de Duitse grens. Vanaf 1876 kon ook verder gespoord worden naar Duitsland nadat een
verbinding met Oldenburg gereed was gekomen. In dat jaar werd de ‘oude’ locomotievenloods in de grensplaats vervangen door dit exemplaar in de vorm van een kwartcirkel, dat plaats bood aan acht locomotieven. Daarnaast waren er in het gebouw, dat een dragende constructie van gietijzer heeft, een kantoor en een smederij gevestigd. Een draaicirkel gelegen voor de remise maakte het mogelijk de treinen naar binnen te manoeuvreren. De Staatsspoorwegen stelden de locomotievenloods in 1935 buiten gebruik. Van 1948 tot 1980 gebruikte de busmaatschappij GADO het gebouw als busremise. Daarna was het lange tijd een graanopslagplaats van de Noordelijke Graanhandel. Sinds de restauratie in 2000 heeft de remise een culturele bestemming.

remise
‘oude’ locomotievenloods werd vervangen door een exemplaar in de vorm van een kwartcirkel

hoofdstation
Groningen heeft als enige een Hoofdstation

De meeste grote Nederlandse steden hebben een Centraal station, maar Groningen heeft als enige een Hoofdstation. Het fraaie gebouw, naar een ontwerp van architect van Isaac Gosschalk, werd geopend in 1896. De eerste trein in Groningen reed in 1866 en bekorte de reistijden naar andere delen van het land aanzienlijk. De eerste spoorlijn was die naar Harlingen. Deze Friese stad kon in tweeëneenhalf uur worden bereikt. Wilde men naar Amsterdam, dan moest in Harlingen nog de boot worden genomen. De reis naar de hoofdstad duurde dan, als de Zuiderzee tenminste niet was bevroren, zo’n tien uur.
Pas in 1868 was deze reis rechtstreeks per trein mogelijk.
De reis duurde toen echter langer: eerst moest vanuit Stad naar Leeuwarden worden getreind, van waaruit via Zwolle en Utrecht na twaalf uur Amsterdam werd bereikt. Onderweg werd maar liefst veertig maal gestopt. Pas vanaf 1872 reed er een ‘sneltrein’ tussen Groningen en Amsterdam die de afstand in vijfeneenhalf uur overbrugde.
Het Groninger station kent twee voorgangers. Nadat in 1866 een tijdelijke voorziening was neergezet werd in 1872 een eerste echt station gebouwd.
Dit was opgetrokken van houten balken, waartussen stenen muren en ramen waren geplaatst. Omdat het station in het schootsveld van de Heredwinger lag – Groningen was nog een vestingstad – moest het in tijden van oorlog snel kunnen worden afgebroken.

De eerste verzoeken in Nederland voor een vergunning om te mogen rijden met een auto, waren in 1898 afkomstig uit Groningen. Willem Allard en Johannes van Dam verzochten – en kregen – permissie om zich met hun voertuigen op de weg te begeven. Beide broers bezaten een Pfeil, gefabriceerd door Friedrich Lutzmann uit Dessau.
Ze kregen de nummerborden 1 en 2.

rijbewijs
De eerste Rijbewijs

pfeill
Een Pfeil met nummerborden 1 en 2

a
A is Groningen

Net als bij de Duitse kentekens nu het geval is, was vroeger ook aan Nederlandse nummerborden ook zien waar auto’s vandaan kwamen. In 1906 werd een systeem ingevoerd waarbij nummerbewijzen per provincie werden uitgegeven.
Elk nummerbord begon met één of twee letters die de betreffende provincie aanduidden. A was  bijvoorbeeld Groningen, B Friesland, D Drenthe enzovoort.
De auto op de foto, een 1934 Ford Model B, was eigendom van de houthandelaar Nanninga. Het provinciale kentekensysteem was in gebruik tot 1951. Toen waren er zoveel auto’s op de weg, die bovendien steeds vaker de (provincie)grens overschreden, dat er een landelijke, centraal toegankelijke kentekenregistratie werd ingevoerd.
De kentekens veranderden in een systeem van drie groepen van twee cijfers of twee letters, uitgegeven door de nieuw opgerichte Rijksdienst voor het Wegverkeer.

Wie van Groningen met de bus naar Appingedam wilde, of omgekeerd natuurlijk, reisde met de Dam: de Damster Auto Maatschappij. Het bedrijf werd in 1920 opgericht als  autohandel, maar verzorgde een jaar later ook busdiensten.
Een eigen wachtkamer met restauratie had de maatschappij eerst aan het Gedempte Zuiderdiep (De oude wacht) en vanaf 1949 had ze, met busbedrijf Roland, een busstation aan het Damsterdiep. De DAM werd in 1970 overgenomen door de GADO.
De DAM-bussen hadden in de halve eeuw dat de maatschappij bestond altijd dezelfde kleuren: oranjerood met groene biezen en een zwart dak.

dam
de Dam: de Damster Auto Maatschappij

gado
De GADO (Groninger Autobus Dienst Onderneming)

De GADO (Groninger Autobus Dienst Onderneming) was lange tijd de enige openbare busvervoerder in de provincie Groningen, tot de concessie in 1999 werd overgenomen door het bedrijf Arriva. In 1924 werd het bedrijf opgericht door drie ondernemers uit Appingedam: Diele van der Ploeg, die directeur werd, en de broers Aldert en Henderikus Bos. De laatsten hadden een wagenmakerij en carosseriebedrijf, en hoopten door deelname een vaste afnemer van hun buscarrosseriën te hebben. De hoofdzetel van het bedrijf werd Hoogezand, waar deze foto eind jaren twintig werd gemaakt.
De GADO wist zich een plaats tussen alle concurrerende bedrijven te verwerven door lijnen in voornamelijk Oost-Groningen en Noord-Drenthe te exploiteren, later ook in het Westerkwartier. In de loop der jaren werden door de maatschappij steeds meer andere vervoerders in de provincie overgenomen. Onenigheid tussen de drie aandeelhouders zorgde er voor dat de GADO in 1938 werd verkocht aan de ATO, het busbedrijf van de Nederlandse Spoorwegen. Later was de GADO een rechtstreekse dochteronderneming
van de NS. Begin jaren zeventig had de GADO haast een monopoliepositie verworven.
Met de Drentse Vervoers Maatschappij werden in 1972 fusiebesprekingen gevoerd, zodat er voor vrijwel geheel Groningen en Drenthe zelfs één vervoersbedrijf zou ontstaan. Op het laatst mislukten de onderhandelingen, omdat de Drenten ‘cultuurverschillen’ voelden.

Vroeger werden alle pakjes groter dan een brief gehaald en gebracht door een van de tientallen bodediensten die de provincie telde. De bodes reden vaste routes door de provincie en kwamen een paar maal per week naar de stad om goederen te halen, te brengen en onderling te ruilen. De eerste bodediensten reden aan het begin van de twintigste eeuw met de hondenkar of met paard en wagen tot de vrachtwagen in de jaren twintig aan zijn opmars begon. De diensten waren een geduchte concurrent voor de beurtschepen. Uiteindelijk verdrong het vervoer over de weg ook de beurtvaart.
De boderijders hadden hun standplaats op de Grote Markt en Vismarkt,
waar deze foto omstreeks 1930 werd gemaakt. Vanwege de toenemende drukte werd
in 1940 een speciaal terrein aan de rand van het centrum in gebruik genomen,
het Bodenterrein aan het Boterdiep.

bodes
De boderijders hadden hun standplaats op de Grote Markt en Vismarkt.

veeno
‘Een weg vol hobbels en kuilen, bezorgen een Veeno-rijder geen builen’

‘Een weg vol hobbels en kuilen, bezorgen een Veeno-rijder geen builen’ , aldus deze advertentie uit 1928. De Veeno-fietsen werden in Bedum geproduceerd. Daar begon koperslager Pieter van der Veen Rzn. in 1908 in de schuur achter zijn woning met de productie van rijwielen van het merk BEDUM. Deze zaak liep zo voorspoedig dat hij in 1917 aan de Noordwolderweg een fabriek kon openen. De naam van de fietsen veranderde in Veeno, omdat plaatsnamen niet meer als merknaam gebruikt mochten worden. De rijwielen van Veeno stonden bekend als buitengewoon degelijk. Het Bedumer bedrijf schreef ook een aantal innovaties op zijn naam, zoals de in het frame weggewerkte bedrading voor het achterlicht, een houder voor het rij wiel belastingplaatje en een damesfiets met lage opstap, de ‘Veenolita’ . Midden jaren zestig belandde Veeno financieel in de problemen. In 1967 werd het faillissement uitgesproken.

Aan de Turfsingel in Groningen staat het laatste nog in bedrijf zijnde benzinestation ontworpen door W.M. Dudok. Deze architect is vooral bekend van zijn ontwerpen voor het raadhuis in Hilversum en de stadsschouwburg van Utrecht. In 1953 werd hij door Esso gevraagd een standaard-tankstation te ontwerpen, dat zowel functioneel als goedkoop
te produceren was. De bouwwerken met hun V-vormig dak waren jarenlang een vertrouwd gezicht langs de (snel) weg. Het exemplaar in Stad, geplaatst in 1954,
wist als enige op de originele plaats te overleven.
Een tweede tankstation is als museumstuk te zien in het Autotron in Rosmalen.

dudok
Benzinestation ontworpen door W.M. Dudok.

vismarkt
De Vismarkt in de jaren zestig.

De Vismarkt in de jaren zestig. De binnenstad was in het midden van de vorige eeuw steeds meer het domein van de auto geworden. Het verwerken van de groeiende stroom auto’s nam in de stedenbouwkundige plannen ook een steeds prominentere plek in.
De Grote Markt werd daarin lange tijd gezien als het centrum van het verkeersstelsel in Stad. De invoering van het niet onomstreden Verkeerscirculatieplan in 1977 maakte een
einde aan de gemotoriseerde drukte: het centrum van Groningen werd autoluw.

aan_het_werk
Aan het werk

jan_ensing
Jan Ensing (1819-1894) tekende omstreeks 1840 deze Groninger koopman.

Jan Ensing (1819-1894) tekende omstreeks 1840 deze Groninger koopman. Door een potloodkrabbel van de kunstenaar onder de tekening weten we ook nog de straatroep waarmee de venter zijn waren aanprees: ‘Mooie H’appelen!’. Daarbij is ook het – vroegere – onvermogen van veel Groningers om de a uit te spreken geïllustreerd.
De appelventer is slechts een van de vele stadstypes die Ensing portretteerde. Hij legde uitoefenaren van tal van beroepen vast, waaronder een boterboerin, turfsjouwer, wijnkopersknecht, schoorsteenveger en verkopers van mosselen, hazenvellen, loten en almanakken, om er een paar te noemen. De meesten van hen zullen op dinsdag te zien zijn geweest, in Stad de marktdag bij uitstek.

Als centrum van bedrijvigheid lag de Stad – om het cliché eens te gebruiken – als een spin midden in een web van waterwegen die naar de uithoeken van de provincie voerden.
De stedelijke economie steunde dan eeuwenlang ook in belangrijke mate op de toelevering en overslag van waren uit het omringende gebied. De landbouw speelde daarin een grote rol, net als in de industrieën die na ongeveer 1850 opkwamen, in en buiten de Stad. Vooral in Oost-Groningen rookten sindsdien de schoorstenen van

tal van aardappelmeel- en strokartonfabrieken.

aangeprezen
Zelfs aangeprezen als afkomstig ‘uut Grunningen’

Gevraagd naar bekende Groninger producten liggen bij veel mensen de fietsen van Fongers, Groninger koek en de dranken van Hooghoudt – zelfs aangeprezen als
afkomstig ‘uut Grunningen’- voor in de mond. Maar deze lijst wordt na meer
bedenktijd steeds langer; een kleine selectie vindt u in dit hoofdstuk.
Hier voegen we daar nog eentje aan toe: wist u dat de originele katjesdrop gemaakt
werd door de firma Nathan Kater uit Stad?

apothecar
Toen begon ‘apothecar’ Laurens Stratingh (1756-1823) een apotheek
in het pand A-Kerkhof 17.

Het oudste nog bestaande bedrijf in Groningen is zeker Apotheek Venema.
De geschiedenis ervan gaat terug tot 1782. Toen begon ‘apothecar’ Laurens Stratingh (1756-1823) een apotheek in het pand A-Kerkhof 17. Daar is het bedrijf sindsdien ook onafgebroken gevestigd. In 1809 droeg Laurens het beheer van het bedrijf over aan zijn neef Sibrandus, tot deze in 1823 hoogleraar scheikunde en technologie aan de Groninger Academie werd. Latere apothekers waren onder andere vader en zoon Petrus Hermanus
(1798-1870) en Wouter Schuil van Wermeskerken (1836-1892).
Het huidige bedrijf draagt de naam van door Jan Jacobus Venema (1903-1984), apotheker van 1932 tot 1973. Net als Van Wermeskerken droeg ook hij het bedrijf over aan zijn zoon, Frank Jacobus. Hoewel de apotheek inmiddels niet meer in de familie is,
bleef de naam Venema behouden.

In de stad Groningen waren potkasten vroeger een vertrouwd onderdeel van het stadsbeeld, maar tegenwoordig zijn ze schaars geworden. Deze uitbouwseltjes van onderkelderde panden dienden zowel als onderkomen van ambachtslieden die er hun nering uitoefenden, als een soort van etalages waarin winkels hun waren uitstalden.
Potkasten zijn tegenwoordig nog te vinden aan de Oude Kijk in ’t Jatstraat, Poelestraat, Turfsingel en aan het Schuitendiep. De naam potkast lijkt typisch noordelijk.

In de rest van Nederland worden dergelijke uitbreidingen van een souterrain vaak aangeduid als ‘koekoekkelder’. De potkast op de foto, genomen omstreeks 1905,
stond op de hoek Oude Ebingestraat-Hardewikerstraat.

potkast
De potkast op de foto, genomen omstreeks 1905

hoed
Eén van de bekendste uithangtekens in Stad is de witte hoed

Eén van de bekendste uithangtekens in Stad is de witte hoed op het uit 1778 daterende
pand Oosterstraat 51. In 1876 richtten hier H. Witting en zijn zoon Albertus een pettenfabriek op. Later werden er ook hoeden gefabriceerd. Na het overlijden van zijn vader begon Albertus Witting ook met de verkoop van modeaccessoires. De winkel werd in de jaren dertig van de vorige eeuw overgenomen door de familie Nissink, omdat de kinderloos gebleven Albertus geen bedrijfsopvolger had. De hoedenwinkel bleef de naam H. Witting & Zn dragen. Ook Nissink had geen opvolger, en in 1960 werden het pand en de inventaris overgenomen door Arnold Frits Bakker, de vader van de huidige eigenaren Sietze en Arnold Bakker. De laatsten drijven de winkel nog steeds onder de slogan

‘Een Wittinghoed staat je goed’. Naast de naam bleef ook het authentieke interieur bestaan, met eikenhouten toonbanken, plafondhoge stellingkasten en een – ook qua formaat – imponerende antieke kassa.

Dinsdag was de marktdag bij uitstek. Heel wat volk uit ‘de provincie’ trok dan naar Stad.
Dit zal niet in de laatste plaats zo geweest zijn omdat op die dag ook de veemarkt plaats
had. Eeuwenlang werd vee voornamelijk verhandeld op de Ossenmarkt en Noorderkerkhof, maar in 1892 werd aan de rand van de Oosterpoort-wijk een nieuw marktterrein ingericht. Het vee werd eerst voornamelijk lopend naar en uit de stad gedreven, maar na verloop van tijd vond het transport ook plaats met vrachtwagen en trein. Vooral de vele vrachtauto’s legden een grote druk op de Veemarkt en het omringende gebied. In januari 1970 verhuisde de markt daarom naar de nieuw gebouwde Groningenhal aan de Sontweg. Op de oude Veemarkt verrees daarna cultuurcentrum De Oosterpoort. Veemarkten werden tot 2001 in Groningen gehouden.
Na de MKZ-crisis dat jaar werd de handel aan de Sontweg niet hervat.

veemarkt
Heel wat volk uit ‘de provincie’ trok dan naar Stad.

standerdmolen
Bij Vriescheloo stond van 1831 tot 1909 deze standerdmolen

Molens zijn fabriekjes uit de periode van vóór het stoomtijdperk. Op windkracht werd graan gemalen, hout gezaagd, olie geperst en gerst tot gort gepeld, In Nederland stonden in de negentiende eeuw zo’n tienduizend molens. Daarvan zijn er nu nog geen twaalfhonderd over. Bij Vriescheloo stond van 1831 tot 1909 deze standerdmolen, waarin koren werd gemalen. De naam ontleent dit type aan het feit dat de kast van de molen op een standerd, een rechtopstaande stam zit. In de provincie Groningen resteert nog maar één standerdmolen, in het Westerwoldse Ter Haar. De molen die op de wallen van de vesting Bourtange staat, is een replica van deze laatste molen.

Al sinds de Middeleeuwen worden in Groningen bakstenen gefabriceerd. Enkele Groninger kloosters, zoals Aduard en Heiligerlee, hadden een eigen tichelwerk.
De klei voor de stenen was aan de Wadden- en Dollardkust dan ook zeer nabij te winnen. De jonge, vette kleisoort die in grote delen van de provincie is te vinden, is kalkarm en rijk aan ijzer. Dit levert de Groninger bakstenen hun typische frisrode kleur op, afwijkend van de stenen van rivierklei uit andere delen van Nederland.
De bloeitijd van de Groninger  baksteenfabricage was de tweede helft van de negentiende eeuw. De bevolking groeide in die periode sterk, waardoor er veel werd gebouwd. Ook de aanleg van publieke werken zoals overheidsgebouwen, riolen, spoorviaducten en sluizen zorgde voor een stijgende vraag naar baksteen.
Het aantal steenfabrieken in Groningen nam van 29 in 1850 toe tot 61 in 1879.
De meeste stonden in het Noorden van de provincie. De fabriek van Dieters in Muntendam, hier op de foto, werd daarentegen in 1887 gebouwd op de rand van de Veenkoloniën, dichtbij de brandstof turf. In de tweede helft van de vorige eeuw ging de industrietak langzaamaan teloor. Tegenwoordig is Strating in Oude Pekela de enige resterende baksteenfabriek in de provincie.

dieters
De fabriek van Dieters in Muntendam werd daarentegen in 1887 gebouwd

javaanse
Javaanse Jongens een van de bekendste tabaksproducten

Javaanse Jongens is, naast Samson en Jakobs, een van de bekendste tabaksproducten die worden geproduceerd door de Koninklijke Theodorus Niemeyer BV in Groningen.
De basis voor het bedrijf werd gelegd door Meindert Niemeyer, die in 1819 een handel in koloniale waren, waaronder tabak, begon. Het bedrijf werd uitgebouwd door

Meinderts zoon Theodorus. De fabriek was eerst gevestigd aan de Nieuwe Ebbingestraat,
later aan de Eeldersingel /Paterswoldseweg (1904); in 1993 werd een nieuw pand aan de overzijde van die laatste straat betrokken.
Sinds 1990 is Niemeyer een onderdeel van Rothmans International.

tiktak
Tiktak koffie en thee is een begrip in Groningen en daar buiten.

Tiktak koffie en thee is een begrip in Groningen en daar buiten. De basis voor het bedrijf
werd in 1870 gelegd door Klaas Tiktak (1845-1925). Deze telg uit een familie van schippers uit Pekela begon dat jaar aan het Damsterdiep in Stad een kruidenierswinkel, waar hij al spoedig zelf koffie brandde en thee mêleerde. In 1902 bouwde hij op de plaats van de winkel een fabriek. De firma Tiktak maakte naam door de creativiteit in reclameuitingen. Al aan het begin van de vorige eeuw reden met paarden bespannen gele koetsen van de koffiebrander door de Stad. In de vooroorlogse jaren werden, in navolging van de concurrentie, enkele plaatsjesalbums en jeugdboeken uitgegeven. Het meest memorabel zijn echter wel de ‘Tiktak shows’. Deze revues waren toegankelijk door spaarpunten (‘Tiktakjes’) te verzamelen. De shows werden georganiseerd en gepresenteerd door de Drentse familie Kok. Tal van bekende Nederlanders en buitenlandse artiesten maakten in de jaren 1949-1970 hierin hun opwachting.

De familie Tiktak verkocht in 1991 het bedrijf aan het Italiaanse espressoconcern Segafredo Zanetti. De naam Tiktak werd gehandhaafd en de koffiebranderij is
nog steeds gevestigd in Stad.

Leden van de katholieke familie Vroom waren oorspronkelijk actief als landbouwers in Borgercompagnie. In de negentiende eeuw legden ze zich, omdat ze contacten onderhielden met Duitse kooplieden, ook toe op de handel. In 1850 werd Wilhelmus Harmannus (Willem) Vroom geboren als zoon van Bernardus Henricus Vroom, winkelier in manufacturen aan het Veendammer Oosterdiep. Voor de jonge Willem was ook  AMSTERDAM een toekomst als koopman weggelegd. Hij liep eerst stage bij een familielid in Groningen, en hielp daarna zijn vader met diens zaak door als marskramer de ‘buitenklanten’ te bedienen. Een grote stap waagde Willem in 1881 toen hij naar Amsterdam vertrok en aan de Leliegracht een eigen manufacturen- en kledingzaak opende. In de hoofdstad raakte hij bevriend met de eveneens katholieke ondernemer Anton Dreesmann. Ze werden zwagers toen Willem trouwde met een zuster van de vrouw van Dreesmann. Beide heren werden zakelijk partners toen ze in 1887 een gezamenlijke winkel openden aan de Weesperstraat. Deze droeg de naam Vroom en Dreesmann,
kortweg V & D, waarmee de basis was gelegd voor de succesvolle landelijke winkelketen die nog immer bestaat. De banden met Groningen bleven bestaan. Volgens overlevering was Willem Vroom nog regelmatig bij de katholieke school in Veendam te vinden om daar jongens te werven voor het hoofdkantoor. Ook kreeg Groningen pas in 1958 een vestiging van V&D omdat men andere leden van de familie, die een winkel hadden in de
Oude Ebbingestraat, lange tijd geen concurrentie wilde aandoen.

vroom
Droeg de naam Vroom en Dreesmann, kortweg V & D

kalender
Kalender van het Nieuwsblad van het Noorden over 1904

Kalender van het Nieuwsblad van het Noorden over 1904, met een afbeelding van het – toen nieuwe – hoofdkantoor van de krant aan het Gedempte Zuiderdiep in Stad.
De eerste editie van het Nieuwsblad verscheen op 2 juni 1888. Uitgever was de journalist Joan Nieuwenhuis, die de krant echter na twee maanden al weer verkocht aan Ruurt Hazewinkel. Het nietpartijgebonden Nieuwsblad wist de positie te verwerven van grootste krant van Groningen. In 2002 fuseerde het met onder andere het Groninger Dagblad tot Dagblad van het Noorden.

Toen de Hoogezandster bakker Heero Siemons in 1812 een achternaam moest aannemen, haalde hij de inspiratie hiervoor van dichtbij: hij noemde zich Hooghout, naar het bruggetje over het Winschoterdiep tegenover de bakkerij. Zijn jongste zoon voegde een d toe aan de naam, en zo zijn we aangekomen bij één van Nederlands bekendste drankmerken: Hooghoudt. De basis voor de distilleerderij werd gelegd toen Herojan, een achterkleinzoon van Heero Siemons, in 1888 het bakkersvak inruilde voor de productie van alcoholische dranken. Zijn bedrijf was aanvankelijk gevestigd in een kelder in Oosterstraat in de stad Groningen, later aan de Grote Kromme Elleboog. Het leek er even op dat de bedrijfsgeschiedenis in 1898 ten einde kwam toen Hero Jan plotseling overleed. Zijn weduwe Grietje Boer wist de zaak echter met kunst en vliegwerk draaiende te houden, hetgeen haar in familiekring de bijnaam ‘De Timmerman opleverde’ . Via de Nieuwe Ebbingestraat belandde de distilleerderij op een industrieterrein aan de rand van Stad. Inmiddels staat daar de vierde generatie Hooghoudt aan het roer: Berend Ludolf (Bert), geboren in 1963. Hij wist het assortiment zo om te vormen, dat het bedrijf zich staande weet te houden in de internationale concurrentie.

hooghout
Hooghout ‘uut Grunningen’

reclame
Reclame voor het Groninger Koekhuis uit de jaren vijftig

Reclame voor het Groninger Koekhuis uit de jaren vijftig. De winkel werd door bakkerscooperatie Patrimonium tot begin jaren zestig geëxploiteerd in de Oosterstraat. Groninger koek is een variant op de Deventer koek. De basis wordt gevormd door roggemeel met een kooksel van water, suiker (invertsuiker, dextrose en blanke stroop) en wat oude koek. Het deeg moet een dag rusten voordat deze door bijvoorbeeld sukade of gember wordt gerold. Iedere bakker had natuurlijk zijn variant op de onderlinge verhouding van de ingrediënten van de koek en de afwerking daarvan. In de loop der tijd zijn heel wat bekende bakkers uit de stad verdwenen, zoals Klaassens (Hereweg), Meijer (Tussen beide Markten) en Guibal (Astraat). Meest bekende merk is nu onbetwist Knol’s koek. In de provincie bakt Barkhuis (Kiel-Windeweer) nog échte Groninger koeken.