VOORWOORD
28 september 1978
Dwalen kun je nauwelijks in een plaats als Oude Pekela en verdwalen helemaal niet.
Niet alleen kom je vanzelf weer bij het Diep terecht, je komt ook vast en zeker iemand tegen die je met een enkel woord wegwijs wil maken.
Maar om wegwijs te worden in een verleden van dit dorp, is het wel degelijk nodig dat een goede gids ons stevig bij de hand houdt. Schrijver en dorpsgenoot Brunink is er zo één. Geen wonder ook, want wie kent deze kaarsrechte gestalte niet, fietsend of lopend van en naar de gebeurtenissen die hij in de krant versloeg.
Een leven lang heeft hij de kleine en grote dingen van zijn dorp gevolgd.
Uit ervaring weet ik, hoe rijk en belangwekkend dat is. Ook weet ik dat er een gevaar in schuilt, het gevaar van de oppervlakkigheid.
De actualiteit zonder meer gaat geestdodend werken.
Brunink heeft dit boek niét geschreven nadat hij er tijd voor kreeg, toen hij zijn dagelijkse werkzaamheden bij de P.T.T. beëindingd zag. Hij is met dit boek zijn hele leven bezig geweest. Stapels aantekeningen, in goede orde bewaard ”voor als de tijd komt”, heeft hij jaar na jaar opgestapeld. En de tijd is gekomen. Het schrijven van een tekst na dié voorbereiding is dan zoiets geworden als het plukken van de vruchten na een rijke zomer.
De schrijver bewijst nog eens de stelling, dat het heden niet begrepen kan worden zonder kennis van het verleden. Ik denk dat menig Pekelder bij lezing van dit boek verbaasd zal zijn over het vele dat aan ons herinneringsvermogen is ontvloden.
Behalve een rijkdom aan kennis over het verleden, draagt dié kennismaking ook bij tot een zelfontdekking. Dit verleden is óns verleden.
Wat eens gebeurde, heeft de mens hiér en nü gevormd tot wat hij is.
Turf, kerken, kapiteins, scholen, de oorlog, de joden, de fabrieken,
het postkantoor en vele andere onderwerpen, ze vormen een bont weefsel,
door de schrijver op levendige wijze verteld.
De Pekelders zullen geen moeite hebben met de honderden namen, die in het boek voorkomen. Voor buitenstaanders die in de war raken, zou de schrijver misschien nog eens een Pekelder kwartetspel kunnen ontwerpen. Want we verwachten nog meer.
Niet alleen de schrijver, ook de uitgever wil ik in dit voorwoord danken.
Want dit boek is op bijzondere wijze en met heel veel liefde een boek geworden.
Iedereen die het koopt, zal weten dat het niet zo maar een boek is.
Het past dan ook geheel bij de geest waarin dit boek geschreven én uitgegeven is:
dat de opbrengst van de verkoop ten goede komt aan het Groene Kruis.
Niet in de laatste plaats voor het gevoel van zuiverheid dat hieruit blijkt,
is een woord van dank niet misplaatst. Ik heb het stellige gevoel dat ik die
laatste woorden neerschrijf namens alle lezers van dit boek.
Harry van Mierlo
FEICO ALLENS CLOCK.
Al is deez’ bodem woest en dood,
Zoo ver het oog er schouwt,
Toch bergt hij in zijn donk’ren schoot
Een kostb’ren schat van goud.
Winkler Prins.
Vóór het jaar 1600, en wie weet hoeveel eeuwen voor dien tijd, lag aan weerszijden van de Pekel A een uitgestrekt veengebied, een deel van de natuurlijke grenzen van Westerwolde. Het moet een weinig bezocht oord geweest zijn op vele plaatsen zeer moerassig, waarover zelfs geen weg leidde om de gemeenschap tussen de oude Heerlijkheid en het Oldambt te onderhouden. De A slingerde zich in talrijke kronkelingen er doorheen en stortte zich ten laatste in den Dollardboezem, die toen tot Winschoterzijl landwaarts indrong. De boorden van het stroompje waren hier en daar met groen bedekt, dat zich op den drassigen grond ontwikkeld had. Een groot gedeelte van dit woeste veen behoorde aan een aantal ingezetenen van Winschoten, aan de zoogenaamde eigenerfden van deze plaats. Het valt niet gemakkelijk van het eerste ontginningswerk in deze streek een juiste voorstelling te geven; wat we er na herhaalde nasporingen van gevonden hebben, zullen we in hoofdzaak hier meedeelen.
Tegen het jaar 1600 heeft zich een vereeniging gevormd, de zoogenaamde Friesche Compagnie, die de venen aan de Pekel-A door aankoop rentegevend wilde maken.
Volgens het boekje van burgemeester Borgesius: ’Geschiedenis van de gem. Oude en Nieuwe Pekela’ en het werk van Top: ’Geschiedenis der Groninger Veenkoloniën’ bestond genoemde compagnie uit de volgende 5 personen: Feico Allens Clock, Mattias Tjabbens, Jan Govens van Gorkum, Heere Wijtzes en Hanne Jansens.
Deze menschen worden wel Hollandsche Friezen genoemd en ook wel Friezen en Hollanders. In het boek van Van Swinderen over het Landrecht van Westerwolde laat
Prof. De Roehr de Friesche Compagnie bestaan uit 4 personen en wel de genoemde heren met uitzondering van Clock, maar voegt er aan toe, dat een ander Friesche heer F.A. Clock, eenige akkers koopt van de buren, dat zijn eigenerfden, van Suurveen.
Ook in eenige stukken in het Rijksarchief te Groningen werd bij den aankoop der Pekeldervenen in 1599 slechts gewag gemaakt van een 4 – tal personen.
Clock wordt een enkele maal ook een inwoner van Winschoten genoemd.
We mogen wel aannemen dat Clock als ontginner den allereersten tijd zich in
Winschoten ophield, omzo spoedig mogelijk naar Pekela te verhuizen.
Van de Friesche Compagnie werden we verder niets meer gewaar, en Clock is de eenige persoonlijkheid, die de drukke werkzaamheden leidt aan het ’Watertien’ dat Pekela A heet. Als we de resolutiën van de stad Groningen van de eerste helft der 17e eeuw doorbladeren, ontmoeten we gedurig den naam van Clock. Of de oorspronkelijke deelgenooten hun aandeel in de venen aan Clock hebben overgedragen, of hem onder zeker voorwaarde de exploitatie hebben toevertrouwd, dit is voor ons een geheim gebleven. In 1599 werd dus een GROOT veengebied gekocht van Winschoter eigenaren, en wel 101 lotten veen. Een lot is ’n strook gronds, welke overal NIET dezelfde afmetingen had: zoo vonden we als breedte van een lot opgegeven 10 roe, 8 voet, 2 duim, maar ook wel 13 roe, 3 duim, of b.v. 13 roe, 7 voet. Ook de lengte er van was verschillend; er was sprake van een lengte van 428 roe, maar ook wel van b.v. 600 roe.
Deze 101 lotten lagen in het oostelijk deel van Pekela, aan beide zijden van ’t water tot ongeveer aan de tegenwoordige fabriek ’De Kroon’. Dit gebied was in 3 complexen verdeeld: ten noorden van de A lagen 35 lotten, die 28 veenplaatsen vormden, ten zuiden beneden den vroegeren Veendijk 35 lotten, waaruit 18 en boven den vroegeren Veendijk ook 33 lotten, waaruit 24 veenplaatsen ontstonden.
De stilte van de eenzaamheid maakte weldra plaats voor de drukte van een bedrijvig leven; vol moed werd de veenexploitatie ter hand genomen. Het riviertje bleek door zijn geringe diepte, vooral in ’t warme jaargetijde, alsmede door zijn talrijke bochten voor een vlotte en geregelde turfvaart ongeschikt, zoodat men reeds dadelijk had te zorgen voor het maken van een bevaarbaar water. Gedeeltelijk van bovenaf werd de A gekanaliseerd tot de vroegere Heeresdraai, waarbij vele bochten werden afgesneden, waardoor in hoofdzaak een recht kanaal ontstond, dat den naam van Heerendiep ontving; de verdere loop tot de uitmonding in den Dollard bleef langen tijd onder den naam van rivier bekend.
De bevaarbaarheid van dit laatste gedeelte verbeterde men aanmerkelijk door allereerst het ’Nieuwediep’ te graven en hierna in 1608 het laatste eind tot Winschoterzijl, dat gebracht werd op een breedte van 30 voet, terwijl van de uitgeworpen aarde aan weerszijden van het watereen dijk gelegd werd.
In de kosten van dit laatste pand kwamen de Winschoters Clock tegemoet door ¼ %
er van voor hun rekening te nemen. Met groote voortvarendheid begon men toen de
turfgraverij. Men verhaalt, dat Clock, die hier de werkzaamheden persoonlijk leidde, op sommige tijden wel 500 mensen in zijn dienst had. Hij zag gaarne, dat vele werklieden zich bij de ontginning kwamen vestigen, en om een goed begin temaken, stelde hij strooken gronds aan het vaarwater gratis beschikbaar; zoo ontstonden ’De Kamers’ , gelijk men die eerste arbeidershuisjes noemde. Nog heden ten dage duidt men de rij huizen aan de zuidzij van het kanaal tegenover het vroegere hotel Dijkinga, waar de eerste woningen eenmaal gestaan hebben, met dien naam aan. Naar de meening van belanghebbende ingezetenen van Meeden eigende Clock zich aan den noordkant van zijn veen een te groot gebied toe, wat aanleiding gaf tot het ontstaan van oneenigheden, welke ten laatste tot een openlijke oorlog, al was het een in miniatuur, zouden voeren.
Vele boeren van Meeden, bijgestaan door andere ingezetenen, zochten het volk van Clock op, om dit met geweld terug te dringen. Met hooivorken en schoppen zou om het recht gestreden worden. Doch de mannen van Clock waren ook voor geen kleintje vervaard, omsingelden hun aanvallers en verklaarden allen voor gevangenen.
Veel bijzonderheden van deze ontmoeting zijn niet meer bekend, doch wel weet men nog, dat veel vrouwen van Meeden op het terrein van den strijd verschenen en een verzoening tot stand wisten te brengen, die de oogenblikkelijke vrijlating der gevangenen tot
gevolg had. Alle eer aan de Meedener schoonen die de strijdlust der mannen wisten
te sussen en een bevredigende oplossing te vinden. Scheen het Clock in den beginne
vrij voorspoedig te gaan, niet lang zou het duren, of hij kwam in botsing met de imperialische politiek van dè stad Groningen; deze verbood in eens den doorvoer van turf door haar gebied, het Oldambt. Dat verbod had voor Clock noodlottige gevolgen.
Het was duidelijk, wat de stad in haar schild voerde; haar begeerige oogen waren
gericht op ’t bezit van de ontwakende kolonie.
In 1635 kocht de stad door middel van haar rentmeester, Johan de Mepsche, van Clock, zooals dit in origineele stukken staat, ¼ van 58 lotten in 101 lotten voor f. 30.000, boven en beneden de verlaten, gedeeld en ongedeeld, bereid en onbereid, onder voorwaarde, dat de verkoopers deze ¼ parten nevens ¼ parten venen, die ze aan zich houden, zullen voorzien met verlaten, gruppen, wijken, tillen en graving van ’t diep ; de verkoopers zullen de turf van die venen graven en vervoeren op eigen kosten in de 10 volgende jaren,
onder betaling aan den rentmeester voor de stads ¾ parten, het eerste jaar op St. Michiel
(29 Sept.) 1636 — f. 900; op St. Michiel 1637 ’38 ’39 ’40 ’41 en ’42 telkens f. 1800; en op
St. Michiel 1643 ’44 en ’45 telkens f. 10.000, na ommekomst van welke 10 jaren de stad de kosten, die alsdan op haar ¾ parten komen te vervallen, zal dragen en daarvan winst en verlies hebben te verwachten naar proportie. Voorts erkennen verkoopers daarbij voor ’t graven als anders van den rentmeester ontvangen te hebben f. 4500 naar 6 perc.
rente jaarlijks voor 6 jaren, om die som het 7e jaar met de interesten weder af te lóssen.
Waar hier eenige keren gesproken wordt van verkoopers,
worden bedoeld Clock en zijn echtgenoote Teetske Boelens.

In vervolg van tijd blijven er steeds relaties bestaan tusschen Clock en de stad; beiden blijven met elkaar steeds zaken doen; ze schijnen elkaar niet te kunnen missen.
Doch het eind van deze samenwerking zou zijn, dat onze onvermoeide ontginner totaal geruïneerd zou worden, terwijl Gruno’s stedemaagd zich kon verheugen in een steeds grooteren toevoer van niet te versmaden baten uit onze kolonie.
Twee jaar later komt tusschen Clock en de stad een andere overeenkomst tot stand;
Clock blijft de venen voor de stad ontginnen tegen betaling van 6 % van de door hem ontvangen koopsom voor den tijd van 15 jaren. Hij krijgt hierbij het recht de venen aan anderen te verhuren, ook voor den tijd van 15 jaren. De financieele beslommeringen nemen voor Clock echter van jaar tot jaar toe. In 1639 komt men overeen dat in 1648 opnieuw over wederzijdsche verplichtingen zal gesproken worden.
Clock kan zich echter niet tot dezen tijd staande houden, en hij en zijn vrouw dragen reeds in 1646 hun bezittingen: den eigendom van ¼ van 58 lotten en 11 ¼ lotten aan de zuidzijde van ’t kanaal aan Groningen over ter verheffening van hun schulden;
Clock behoudt dan nog eenigen grond aan de noordzijde van de A.
Ook van de andere landbezitters kocht de stad in Pekela veen aan en wist
alzoo haar terrein hier uit te breiden.

Ook gebeurde het wel eens, dat ze om de een of andere reden tot ruiling van veen overging. Volgens burgemeester Borgesius waren in dien tijd in beide Pekela’s 43 eigen plaatsen. Geldverlegenheid noodzaakte de stad in 1650 een 24 lotten te verkoopen,
alle aan de zuidzijde van de A gelegen boven den vroegere Veendijk en wel aan Clock
12 lotten, aan Prof. J. Borgesius5, aan Dr. R. Emmen. JJ. Sonne, P. Hoeksema,
B. Constantia, G. Hazewinkel, J. Rotgers en F. Eiskes ieder 1 lot, voor een totaalbedrag van 8636 car. gld, 7 st. en 9 penningen. Belangrijk zijn ook de voorwaarden, die men bij dezen koop met wederzijdsch goedvinden heeft vastgesteld. In het gesloten contract heet het: ’ende sulx op navolgende voorwaarden en conditiën, te weeten: Dat op des Stads costen de Pekel A van het bovenste einde van de voorsz. vier en twintigh lotten, tot aan het verlaet bij de Ulsda verdiept en navigabel gemaekt sal worden, twee a drie steeck beneden den olden bodem op plaatsen, dear het nodich bevonden sal worden. Dan de onderholdinge van het diep, verlaten, sijlen, sluyzen en anders, dat tot gemeen profijt is streckende, dat bij deze coopers off handelaers na quota van haer veenen neffens – ’de Stadt en anderen hyr toe mede gehoorende, daemae gemaekt en onderholden worden.’
Gelijk men ziet, zullen voortaan de stad en de verschillende veeneigenaren gemeenschappelijk het vaarwater onderhouden. Doch deze overeenkomst heeft later dikwijls tot veel gehaspel aanleiding gegeven. Wederom probeert Clock een nieuwe poging het hoofd boven water te houden; ’t is ook geen klein bedrag dat hij in de waagschaal stelt, de helft van over de 86.000 gulden. Maar, helaas, het zou weer blijken, dat het met zijn exploitatie niet wilde vlotten, ofschoon hij sedert 1651 zich geheel aan eigen zaken kon wijden, immers in dat jaar eindigden zijn huurjaren en gaat ieder, én de stad én Clock, zijn eigen weg. De moeite, aangewend om iets van het huiselijk en particulier leven van onzen grooten ontginner gewaar te worden, is niet beloond geworden. Clock zal vrij zeker een vermogend man zijn geweest, die een halve eeuw lang de geheele ontginning hier leidde en de ziel werd van de jonge gemeenschap aan de A, die snel in bevolking toenam, immers in 1640 is reeds de eerste predikant hier aangesteld.

Maar zijn onvermoeide arbeid liep voor hem op niets uit en toen de dood hoogstwaarschijnlijk in 1656, hem bevrijdde van een moeitevol, zorgzaam leven, liet hij zijn weduwe een aan de noordzij van ’t kanaal gelegen plaats na, thans de boerderij van den heer Smeenk. Op verzoek der crediteurs besloot de stad tot executorialen verkoop van Clocks nagelaten landen over te gaan. ’Ende eenige renteniers ende schuldenaers beklaegden zich, dat zij haere rente ende schulden daer uyt niet bekomen en konden, waerom van ons daerover rechts begerende’.
Derhalve zijn bovengenaemde 2 lotten van cum annexis op geit gesettet, dat wij, oock tot 3 Sondagen over de kercke hebben laten kundigen, om op seekeren aen bestemder tijdt, die medegekundigt worde, bij der keerse laten opslaen ende verkopen. Doe nu de Keerse was opgesteken, is gekomen Jan Jansen Sonne ende heeft voor de boven gementioneerde 2 lotten van cum anexis geboden te geven 1025 car. gld. ende niemand heeft meerder geboden te geven, waerop de keerse is uytgegaen’.
Zoo werd JJ. Sonne in 1656 eigenaar van de nagelaten lotten van Clock, en zoo eindigt het slotbedrijf van een leven, dat een drama genoemd kan worden.
Of Pekela’s bekende stichter ook nazaten heeft nagelaten kunnen we niet met zekerheid zeggen, doch de naam, dien we vonden in een erbandschrift van 1778 aangaande de hergraving van een gedeelte van het hoofddiep, doet zulks wel vermoeden, immers onder het bedoelde contract komt de naam voor van Feike Feikes Klok.
We merken hierbij op, dat verschillende schrijfwijze van overeenkomstige namen van leden van eenzelfde familie in vroeger tijden een zeer gewoon verschijnsel was en nog is.
TÖRFGROAVEN (veur vieftig joar)
In ’t veuijoar trekt het veenvolk weg,
Het swoare waark staait weer te wachten,
Ze laggen en ze zingen nait,
Het swade veen vragt alle krachten.
Heur legerstee is törf en stro,
n ’Keet’ het huus om in te wonen,
de kost van elke dag bestaait
Uut pannekouk en broene bonen.
Ain nadde törf weegt vieftien pond;
Dat is gewoon – gain haile swoare-;
Den vieftig meter kroden mit
Zo’n twaalf stuks op ’n koare.
Dreidoezend graft men op ’n dag,
Dei aalmoad wegbrocht worden mouten,
Op smale planken, nat en glad,
Mit iezren kraben aan heur vouten.
Het swait stroomt van heur liggoam af,
Zai valen of en tou – dei staarken – ,
Moar hollen vol, verdainen wat,
Allain deur moordend waarken.
In ’t veuijoar trekt het veenvolk weg
en geven aigen levenskrachten,
Zai laggen en zai zingen nait:
’t Swade veen staait weer te wachten.
G. Mulder-Kuiper
Oude Pekela, 1893-1957.

DE GRONINGER ONTGINNING.
Nadat de stad Groningen eigenaresse van een aantal veenplaatsen geworden was,
bracht ze een methode van ontginning in praktijk, die later in andere veenstreken in ons land en ook in Duitschland navolging vond en zich in onze dagen als de meest rationeele hoogveenontginning gehandhaafd heeft. Een kenmerk van deze methode is de cultiveering van den ondergrond na het vergraven van ’t veen.
De stad gaf haar veenplaatsen in huur op een eigenaardige wijze, anders dan bij een gewone verhuring van b.v. een woning of een kamp land. De huurder of meier betaalde voor zijn plaats een zekere som gelds en nam de verplichting op zich van zijn turfopbrengst een gedeelte af te staan en van zijn verkregen bouwland een zekere pacht te betalen. De meier heette ’de naaste’ tot zijn grond.
Deze verhouding tusschen de stad en den huurder heeft later menig keer aanleiding gegeven tot een moeilijke kwestie die tot heden nog niet definitief opgelost is;
het gold de vraag: Komt de stad of den meier het eigendomsrecht van den grond toe?
In 1651 ontwierp de stad een verordening, getiteld:
’Conditiën van de verhuyring der veenen in de Pekel, beraemd bij de H. Heeren
Borgemeesteren ende Raedt in Groningen’, van den volgenden inhoud:
I
Sal den Huyrder der plaetse, briete, lengthe, swetten ende situatie van ’t gehuyrde
Veen, pertinent in zijn Huyr-Certer opgestelt worden.
II
Sal met sijn Nabuyr ofte naeste Swette aen de zijt van sijn Landt ter plaetse hem
aen-te-wijsen, opgraven ende voorts onderhouden een Wijck,
ter behoorlijcke rechte, diepte van ’t Heerendiep, en de wijtte van sestijn voeten boven, ende twalf voeten op den bodem.
III
Deselve Wijck in de Pekel-dal datelijck verveerdigen, ende dan voorts aen ’t hooge Veen komende, alle Jaeren ten minste veertich Roeden, de Roede van veertijn voeten aenleggen, en de tijdtlijck bereijden om te verlengen, ende soo vele meer als sijn macht en de middelen konnen dragen, ofte met hem bedongen sal worden:
Ende deselve Wijck geduyrende zijn gebruyck onderhouden.
IV
En de tot beter bereydinge van ’t Veen, de Raey- groepe altijdt vijftich Roeden
voor uyt graven ende wel onderhouden.
V
Aan elke zijde van de Wijck en de Raey-groepe, daer sulcks noodigh, op alle twee
Roeden een dwarsgroepe, diep nae vereysch van ’t Veen, ende tijn Roeden lanck,
ofte oock nae gelegentheydt van weecke Veenen, soo véele meer dieper ofte langer,
dat het Veen voor het scheuren wordt bewaart.
VI
De eene Nabuyr sal den anderen in alle wercken van ’t leggen van wijcken ofte slooten, dat twee ’t samen aengaet, weerwarck moeten doen, ofte sal de Veenmeester ofte opsichter der Veenen, nae driemael aensegginge in negen dagen tijdt, op kosten van de suymachtige ’t selve, op desselfs kosten, laten doen en de uyt des suymachtigen goedt met pandthaelingen, met de kosten van dien mogen wederhaelen.
VII
Bij langes de Wijcken laeten ende onderhouden een wijckswal ofte voetpadt
van acht voeten b reedt.
VIII
Mede neffens sijn Naebuyr, (bij versuymenisse daer toe te constringeren) maecken ende onderhouden het vonder ofte houdt over de wijck, mits dat een yeder sijn aengenomen plaets de Waegen-wech ofte Sandt-padt van ’t eene vonder tot het ander schoubaer sal onderhouden, by poena van tijn stuyver elck schouwinge by de suymachtigen,
aan de Rentemester van de Veenen, ofte Veenmeester te verbeuren tot profijt der Armen. Blijvende alle hoge houten boven tijn gulden waerdigh,
tot last van alle Meijers plaetsen gebruykende.
IX
Sal binnen een Jaar a dato van de Verhuyringe op sijn gehuyrde Veen ofte een Plaetse, mogen ende moeten setten een Huys, ten weynichsten hondert daelder weerdigh,
ende ’t selve voortaen nae gelegenheyt van ’t Landt verbeteren.
X
Sal voor ’t maeken ende onderhouden van de voorschreven Wijck, groepen ende anders genieten in ’t hooge Veen de Torff van twee Roeden briedt, aen elcke zijde van de Wijckskant af te meeten, soo lange als hij in ’t hooge Veen is gravende.
XI
Ende van de reste van ’t hooge-veen tusschen voorsz. Wijck ghelegen, ter breede, van omtrent veertigh Roeden, min ofte meer, tot dat het selve is affgegraven, tot huyre geven de vierde Torff, van ’t swarte, ende de seste van het Grijmanck; Mits dat het Grijmanck alleende werde gesettet, ofte als naeder in d’ Huyr-Certer geschreven ende bedongen sal worden, nae gelegentheyt van de Veenen.
XII
Mits oock de putten ofte graften sullen moeten zijn soo wijt ende soo diep, als het Veen kan lijden, gelecht in slaegen ghelijcke lanck, ofte set dijcken, zijnde geringht, ghedeelt, ende der Heeren toegedeelde uytgewittede Torff op sijn kosten geklootet hebbende, op vijff Roeden aen het Vaerbaerwater moeten leveren. Eer de Meijer sijn Torff sal mogen vervoeren, by verbeurte van drie vierde parten gegraven Torff.
XIII
Sal het vergraven Veen ende andere dallen slichten, ende met straeten-dreck ofte mis soo veele immer doenlick is, te Lande maecken, om tot Saeylandt, Weyde-landt, of te Plantinge ( sonder ’t selve te mogen hoeyen) gebruyckt te worden.
XIV
Doch geen kleyner Kampen in de Pekel mogen af graven, als van twee Grasen:
Doch bij provisie tot bevredinge van sijn goedt moogen afgraven, soo groot haer
goet-duncken sal, ende de gelegenheydt der plaetsen lijden kan.
Ende tusschen ’t landt geen wijder slooten maecken, als seven voeten.
XV
Ende na verloop van sulcke Jaeren van ’t geene hy de voorsz.
Jaeren vry heeft gebruyckt, ’t elckes moeten inhuyren op seecker Jaermaelen ende behoorlijcke huyr, nae gelegentheydt van de tijdt ende het landt, in voeghen dat al het Landt in de Pekel ende geheele langhte, eyntlijck in een Huyr-Certer en de eenderlije Jaer-maelen sullen komen.
XVI
Sal soo haest hij een halff gras Landes ofte meer de eerste .mael besaeyt, ’t zelve
de Boecke laten stellen, by de Rentmeester van de Veenen, by verbeurte van de
vrucht. Ende als dan vry sonder huyre mogen gebruycken ses Jaeren in de Pekel-dallen, ende tijn Jaeren op ’t hooge Veen, a dato van sulcke aengevinge beginnende.
XVII
Mits dat de Huyrder alsulck Landt toegemaekt, en de daer op gehuyset, geplant
ende de reste noch in sijn Jaermaelen hebbende, de naeste daer toe sal sijn.
XVIII
Sal by versterff dit recht van de Huyr-Center op de langhst levende, ofte haer wettelijcke Erfgenamen verblyven, ofte oock bij haer levende aen haer Kinderen geheel,
ofte voor een gedeelte vry mogen over dragen: Betalende alleen drie gulden aan den
Armen ter plaetsen, en de dartigh stuyver van een Heem-stede voort ’t overteyckenen.
XIX
Sal in ander vry willige Overdrachten met consent van de Heeren te doen,
moeten geven een recognitie, als de twintichste penningh, ende van verkofte plaetsen
bij executie de achtste penninck.
XX
Sal indien ’t Landt, soo hy gebruycke, streckt aen ’t gemeene Wijck ofte Diep, neffens sijn Nabuyren, den Til ofte Drayhout onderhouden ende an-eerden als Artijcul
8 gesecht ofte in plaets van dien, een stuyver van elck schip met Torff moeten geven.
XXI
Sal van elck Plaetse groot een Lot ofte anderhalf, grooter nae advenant, Jaarlijcks
op den eersten November aen de Rentemeester ofte Veenmeester gegeven worden
een gulden, tot onderhoudt van een Schoolmeestershuis, ofte een Heenstede groot
een gras ofte daer onder tijn stuyver, bij faute van parate betalinge met datelijcke
panthalinge uyt sijn goedt ofte Turf mogen in maenen.
XXII
Sullen geen Plaetsen sonder huys overgedraegen ofte verkoft worden, maar by vertreck ofte versterf, in handen van de verhuyrders vervallen, ende by haer sonder
betalinge van eenige melioratiën van haer aen anderen uyt gegeven mogen worden.
XXIII
Aengaende de Verlaet-gelden, sullen de Huyrders van haar Torff niet meer als de
Staats Torff hebben te dragen.
XXIV
Bij gevalle de Verhuyrders van deze uyt-gedaene Veenen uyt de grondt mochten
komen te verkopen, in sulcken geval sullen de conditiën van dat parceel Veen,
dat verkoft wordt komen te cesseren. Ende sullen de Meyers haere huysinge ende verbeteringe van ’t Landt bij de Verhuyrders, tot seggen van goede Mannen,
elckerzijts te kiesen, worden betaelt.
XXV
Sullen mede voor ’t optrecken ende verwaeren van de Levay, van elck dachwarck
Torff, Jaerlijcks op Martini betaelen twee placken, te innen als vooren Articul 21
van Plaetsgelt is gesecht.
Aldus ter vergaderinge van Borgemesteren ende Raadt met
Taelmans ende Geswoome Meente gelesen ende gearresteert, voorbeholden hier op de toene naederen Correctie en de Ampliatie.
Groningae Jovis den 23 Januarii 1651.
Ter Ordonnantie der H.Heeren Voorsz.
Joh. Robers, secret.

De meiers in Sappemeer konden gedurende 10 jaar gratis mest halen uit de stad en werden bevoordeeld boven die in Pekela, welke zelfs den Groninger compost niet mochten koopen. Eerst in 1810 werd dit verbod opgeheven, en konden de landgebruiken van Pekela zich op de veilingen, o.a. te Zuidbroek, van mest voorzien.
Zeker als een gevolg van de herhaalde klachten over de groote onvruchtbaarheid van den veenkolonialen grond, trachtte de stad in de laatste helft der 18 de eeuw den aan voer van mest naar Pekela in de hand te werken. In de Notificatie van Burg, en Raad van Groningen van 19 januari 1786 komt voor: ’Om den landbouw in de kolonie Pekela in een bloeiender staat te brengen, hebben we goedgevonden en besloten, om gelijk op 13 februari 1783 voor 3 jaren, nu op proeve van 6 jaren, aanvangende met den 14 Febr. 1786 een premie van 10 gulden toe te leggen aan ieder schipper die een vracht mest of stratendrek van buiten deze Provincie met een zeevarend schip in de Pekela invoeren, mits niet minder ingeladen heeft als een quantiteit waarmede tasschen gewoonlijk beladen zijn,
die van hier naar de koloniën afvaren; en dat die premie voor ieder vracht aan de schippers door de veenmeester E.J. Eltjens, woonachtig in de Pekela, zal worden voldaan, wanneer door genoegzame zekere blijken bewezen wordt, dat de voorzeide mest of stratendrek van buiten deze provincie is ingekomen en inderdaad gebruikt ter bemesting van Stads Pekelder dallen, hetzij dezelve in de Oldambtster, hetzij in de Westerwoldsche Pekela gelegen mochten zijn’.

Van den preekstoel moest dit besluit ter algemeene kennis ’gekundigd’ worden.
Daar is vrij wat geld gevloeid uit onze kolonie in de kas van Groningen.
Het is de moeite waard daarover enkele gegevens mee te delen. We zwijgen van de jaarlijksche pachten, welke van de ontgonnen dalgronden opgebracht moesten worden; we wijzen slechts op de opbrengst van de zoogenaamde ’vierde turf.
In 1760 kochten Juijen Koerts en Boele Doedens het stadsaandeel van de turf van dit jaar in geheel Pekela, dus zoowel in Boven als Beneden Pekela, voor 13875 gld.
Uit aantekeningen van den veenmeester G. Borgesius blijkt, dat in den tijd van 100 jaar, van 1749 tot 1849, in de beide Pekela’s 2000 h.a. dalgrond toegemaakt is, waarvan 1600 h.a. op stadsgronden. In 1805 is in Pekela gefabriceerd 6300 dagwerk turf en de stad verkocht haar aandeel toen voor 25.000 gulden.
In het verslag van den toestand der gemeente Oude Pekela over het jaar 1851 vinden
we het volgende vermeld: In deze gemeente is in
1810 gegraven 2700 dagwerk,
1815 gegraven 3300 dagwerk,
1825 gegraven 2900 dagwerk,
1835 gegraven 1400 dagwerk,
1845 gegraven 1000 dagwerk,
en in genoemde jaren bracht de stadsturf resp. op:
9600, 8300, 4700, 1300, en 1200 gulden.

Nog in 1851 zijn 67 consenten voor turfgraverij afgegeven, tengevolge waarvan 40.000 ton turf van de 2e soort, 3e klasse is gemaakt, waarvan weinig voor den handel, maar meeren deels voor eigen gebruik. De prijs van de zwarte turf was van 20 tot 24 gld. het dagwerk of de 200 ton, de grauwe en bonte wordt uitsluitend voor de steenfabrieken en de kalkovens gevraagd. Het aantal arbeiders voor de turfgraverij zal ongeveer 30 bedragen. Tot zover bedoeld verslag. Er zijn ook tijden geweest, dat de prijs van de brandstof door accijns verhoogd werd. De stad liet in 1728 de Pekel A graven van de Kamers tot de Bult. Dit werk kwam haar op 21648 gld. 16 st. Deze verbetering van het vaarwater was zonder twijfel van groot belang voor onze veenboeren, maar evenzeer voor de stad. Toch eischte deze volledige teruggave van de kosten met de rente van 5 pet.
Ze legde daarom een belasting op de turf van 13 stuivers op ieder dagwerk.
Tegen 1742 was langs dezen weg een som van 25.000 gld. in de kas van de stad binnengekomen. Toen, zoo heet het in het Resolutie-boek van dat jaar, hebben Burgemeesteren en Raad naar gehouden deliberatie de meiers in Pekela volkomen gedechargeerd. In 1732 ontwierp de stad een nieuw reglement, onder den titel: ‘Ordre en Reglement, waarna de ingezetenen in de Pekela aangaande het begraven van haar veen met den aankleve van dien, haar zullen hebben te reguleren’.
Om de ontginning der venen wat sneller te doen plaats hebben, bepaalde art. 3 van
deze nieuwe verordening: ’Geen meier zal zijn veen 2 jaren lang onbegraven mogen laten liggen’. Art. 14 had betrekking op den tijd, waarna de turfgraverij ieder jaar geëindigd diende te zijn. Hierin lezen we: ’En alzoo door ondervinding van vele jaren herwaarts is gebleken, dat door al te late graverij het veen wordt bedorven; dus zullen in de Pekela de bezitters en gebruikers der benedenste venen, loopende tot aan No. 19 noordzijde en
tot No. 44 zuidkant, gehouden wezen hun graverij te staken den laatsten Juni en die
der bovenste venen den laatsten Juli onder de verbeurte van alle turf, die dan op de
plaats wordt bevonden’. Over de zuivering van de wijken van ’ladden’ en den bouw en het onderhoud van de bruggen of ’batten’ komen nauwkeurige aanduidingen voor.
Belangrijk is ook art. 34. Dit luidt: ’Zullen mede het hoofddiep en wijken op de wijdte en diepte zoo nu bevonden worden of geordonneerd mocht zijn, voortaan opleggen en onderhouden zonder het minste de stad daarvoor in rekening te brengen; hiervoor genietende boven het 8 voetspad, 2 roeden vrij veen aan elke zijde van den wijkskant af te meten, zullende de trekkers van de stadsvierde op diezelfde manier mede gehouden zijn hun meting te doen’. Blijkens dit artikel onttrekt de stad zich dus aan ’t onderhoud van ’t hoofddiep. De na 1732 aangegane huurovereenkomsten tusschen de stad en de meiers gewagen dan ook van dit verplicht onderhoud, dat zijn de huurcerters van de veenplaatsen in ’t boveneind van N. Pekela een groot deel der meiers van O. Pekela vallen dus buiten deze verplichting. Art. 42 schrijft voor, dat jaarlijks van iedere plaats één gulden wordt gegeven voor onderhoud van kerk, school en pastorie, van een groot heem 10 stuiver en van een klein heem 5 stuiver. In het belang van de diepswallen zegt art. 44; ’Zal ieder gehouden zijn een waterstoep te maken van hout’ . Tenslotte merken we nog op, dat in art. 45 ons Pekelderdiep voorkomt onder den naam van Heerendiep.
Over het eigendomsrecht van de stad op vele van de Pekelder gronden zouden nog
vele opmerkingen te maken zijn; door bekwame juristen is daarover veel geschreven
en niet altoos in het voordeel van Groningen, zoals o.a. in het werk van
Mr. A.S. de Blécourt. De stad heeft dikwijls tegenover onze meiers een weifelende houding aangenomen, waaruit velen meenden zwakheid te mogen afleiden. Ze zag zich daardoor genoodzaakt, nu en dan aan voorschriften te herinneren zooals o.a. in 1730, toen wederom besloten werd, dat van een stadplaats bij overdracht, zooals b.v. bij een verkooping, verschuldigd is in Pekela de 20 ste en in Hoogezand en Sappemeer de 30 ste penning. Wij willen hier nog enkele aanhalingen doen uit het boek van genoemden
heer De Blécourt. Deze had in 1907,toestemming gevraagd stukken,betrekking hebbende op het stadsmeierrecht in de Veenkoloniën, ten stadhuize in Groningen te mogen inzien, welk verzoek door B en W geweigerd is. Naar aanleiding van deze weigering schrijft de heer De B. in de voorrede van zijn werk o.a. ‘Mochten er nu zijn, die meenen, dat Burg, en Weth. in het geldelijk belang der gemeente de openbaarheid der archieven niet kunnen toelaten, waar deze ten gevolge zou kunnen hebben, dat de rechtspositie der stad tegenover de meiers minder vast werd, hun zou ik willen opmerken, dat het voor een publiekrechtelijk college al allerminst te pas komt om rechten te willen doen gelden, waarop het geen recht heeft. De gemeentehuishouding is geen kruidenierszaak’. ’Aan opzegging van de rechtsbetrekking met dezen of genen meier denkt de stad niet – het zou met die opzegging ook wel eens minder vlot kunnen gaan – , maar waarom dan ook niet gezorgd, dat alle onzekerheid verdwijne, waarom des meiers recht niet sterk gemaakt; de verkoopswaarde zal er door stijgen en de opbrengst der recognitiën, die immers bestaan in een percentage van den koopprijs, tevens meer worden’. Tenslotte nog een citaat uit het aangehaalde werk op blz. 106: ’Aan rechtspersonen, die het voorrecht zullen genieten stadsmeier te worden, geef ik den raad – te volstaan met aanbieding van het gewoon geschenk voor overdracht en zich door geen bedreiging van consentweigering te laten afschrikken; de stad moet dan maar bewijzen, dat ze recht heeft op periodieke geschenken’.

Moos Polak woonde. De man met fiets is de postbode G. Brunink Sr.
Word vervolgd….