Inhoud:
Voorwoord
Inleiding
De vesting
Het ontstaan
Barthold Entens
De Franse tijd
Rust en vrede
Rogaar
Wandeling
Omgeving zijlen
De Singel
De Vennen
Buiten de wal
Bij de Waterpoort
Delfzijls centrum
Marktstraat
Waterstraat
Landstraat
De kerk
Papegaaischieten
Bezoek Koning Willem III
Herinneringen van J.F. Vos

VOORWOORD
Op 6 augustus 1874 verscheen het eerste nummer van de regionale krant
‘De Eemsbode’. Hondervijfentwintig jaar nieuwsgaring en -voorziening in de regio leek een passende gelegenheid het lezerspubliek anderhalve eeuw in de tijd terug te voeren.
Naar de periode, waarin het huidige haven- en industriecentrum Delfzijl een vesting was en door hoge en brede verdedigingswallen en -grachten omsloten werd.
In de loop van haar bestaan kende de vesting enige malen een Spaanse en vervolgens een Franse overheersing. Toen de laatste bezetters in 1814 vertrokken, brak een periode van vrede en ontplooiing aan, die een halve eeuw later, rond 1860, leidde tot het vertrek van het Nederlandse garnizoen en rond 1870 tot het afgraven van de wallen en het grotendeels dempen van de grachten.
‘Een wandeling…’ is een terugblik waarbij gebruik werd gemaakt van de geschreven herinneringen van enige Delfzijlers, met name de heer Ph. H. Rogaar, die de vestingtijd nog lijfelijk meemaakten en hun herinneringen aan die periode eertijds aan het krantenpapier toevertrouwden.
‘Een wandeling…’ is geschreven en samengesteld om de lezer een blik in de toenmalige vesting te gunnen. Enige andere pretentie ligt aan dit werk niet ten grondslag.
De auteur heeft de tekst waar nodig ‘vertaald’ naar het heden en waar wenselijk van aanvullingen of verklaringen voorzien. Tal van foto’s en afbeeldingen illustreren de beschreven locaties in latere jaren.
Delfzijl, november 1999,
Hans Beukema.
INLEIDING
Tot rond 1860 speelde het militaire krijgsbedrijf te land zich voornamelijk in en rond vestingen af. Vestingen waren militair versterkte plaatsen die op belangrijke knooppunten van land- en waterwegen waren opgericht om controle uit te kunnen oefenen, of in te kunnen grijpen in militaire en burgerlijke verplaatsingen, maar ook om economische goederenstromen te kunnen reguleren. Een vesting was meestal echter niet alleen een militaire aangelegenheid. Op dezelfde knooppunten concentreerde zich vanouds ook de handel. Om die reden was een vesting in de praktijk doorgaans een burgerwoonplaats, waarin ook een militair garnizoen was gelegerd. Dit gecombineerde woonen militaire centrum was omgeven door een verdedigingsgracht en -wal, waarop geschut geplaatst was. Een aantal poorten in de wal gaf de mogelijkheid om de vesting binnen te komen of te verlaten. Delfzijl was tot rond het jaar 1875 een vesting.
Dat betekende dat het sociale en economische leven zich vrijwel geheel binnen de vestingwallen en – grachten afspeelde. Daarop was ook het hele sociale en economische leven geënt. Immers: in tijden van oorlog en belegering, als de vestingpoorten gesloten waren, moest de bevolking in haar eigen behoeften kunnen voorzien.
Binnen de vestingwallen van Delfzijl bevonden zich dan ook boerderijen en een korenmolen. De ontwikkeling van nieuwe wapens bracht veranderende inzichten in de krijgskunde en maakte de vesting-strategie achterhaald. Voor Delfzijl betekende dit dat het militaire garnizoen rond 1860 vertrok en de nu overbodige vestingwallen en -grachten werden verwijderd. Deze afgravingen en de demping van een deel van de gracht werden in 1875 voltooid. De herkenbaarheid van Delfzijl als voormalige vestingplaats ging daarbij vrijwel geheel teloor. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog, dus (nog maar) zo’n tachtig jaar na de beëindiging van de vestingtijd, herinnerden boerderijtjes in of bij het centrum van de havenplaats nog aan de vestingperiode.
Anno 2000 zijn de Gracht, de Waterpoort, het voormalige loodskantoor,
de Nederlands Hervormde kerk (anno 1830) en de locatie molen Adam nog de
tastbare herinneringen aan de vroegere vestingplaats.

De molen stamt uit het jaar 1876 en werd dus kort na het eind van de vestingtijd gebouwd, op de fundamenten van de molen die datzelfde jaar door brand was verwoest.
Het betrof eigenlijk geen bouw, maar meer een plaatsing, omdat het de bestaande watermolen Adam in Bedum betrof, die naar Delfzijl werd verhuisd.
Omdat de bomen rond de Nederlands Hervormde kerk de windvang van de vorige molen ernstig hadden belemmerd, werd eerst de nog bestaande stenen onderbouw van de vorige molen achttien voet verhoogd.
DE VESTING
De vesting Delfzijl was via vier poorten toegankelijk: aan de landzijde twee en aan de waterzijde twee. De toegang met de veelzeggende naam Farmsumerpoort lag in de huidige Nieuweweg, bij het gemaal, op de plaats van de flat ‘Vestpoort’.
De enige andere toegangspoort over land lag aan het eind van de huidige Landstraat, kruising Singel. Vanaf het water was de vesting bereikbaar door de (Grote) Waterpoort en het Klein Poortje, later ook Kleine Waterpoort genoemd. In tegenstelling tot tegenwoordig had die in de vestingtijd slechts een breedte van anderhalve meter.
Zo’n twintig jaar na het vervaardigen van deze kaart (links) was de vestingtijd officieel ten einde. De wallen rond de plaats waren afgegraven en de aangrenzende grachten gedempt. Slechts een deel bleef behouden: het binnenwater tussen de oude Rijksweg en de Julianalaan, ter hoogte van het gemeentehuis. Met enige moeite herkennen we in de hoek tegenover de gereformeerde kerk het voormalige Damster Bastion.

Plattegrond van de vesting Delfzijl, anno 1859. Dit is de laatste kaart voordat de vestingwerken werden geslecht en gedempt.
A. Schippers Bastion; B. Holwierder Bastion; C. Uitwierder Bastion;
D. Kommandeurs Bastion; E. Damster Bastion; F. Kommandement; G. Militaire Bakkerij;
H. Affuitenloods; I. Groot Kruitmagazijn; J. Wacht bij de Farmsumerpoort;
K. Magazijn van Oorlog; L. Oude Hoofdwacht; M. Ingenieurshuis;
N. Wacht bij de Waterpoort; O. Grote Kazerne; P. Kleine Kazerne;
R. Wacht bij de Landpoort; S. Landpoort; U. Kleine Waterpoort;
V. Farmsumerpoort; W. Stenen Beer; X. Adjudantswoning;
IJ. Bomvrij Kruitmagazijn in de wal; Z. Oven voor gloeiende kogels. 1. Marktstraat;
2. Landstraat; 3. Waterstraat; 4. Mostaardgang; 5. Wildersgang; 6. Muskengang;
7. Kerkpad; 8. Kerkstraat; 9. Kakebrug; 10. Molenberg; 11. De molen; 12 De school;
13. Hervormde Kerk; 14. Israëlische kerk; 15. Afgescheiden kerk;
16. Zeevaartkundige school; 17. Gemeentehuis; 18. Hofje van Zijlvestenhuis;
19. Nieuw aangebouwde huizen; 20. Het Eilandje; 21 Rooms-Katholieke kerk;
22. Zijlvestenhuis; 23. Het Kerkhof; 24 Nieuwe doorrit naar Appingedam.
HET ONTSTAAN
Sluizen zorgden gewoonlijk voor oponthoud voor de scheepvaart. Dit gegeven maakte dat schippers de gelegenheid aangrepen om scheepsbenodigdheden en proviand in te slaan. Bij de sluizen vestigden zich daarom leveranciers, die samen met de gezinnen van de sluiswachters en later ook overheidsdienaren spoedig een bescheiden leefgemeenschap vormden. In de monding van de Delf (later: Damsterdiep) lag ook een sluis – of beter uitgedrukt: lagen sluizen – waar rond het jaar 1350 ook bewoning tot stand kwam.
De sluizenbouw werd geleid door monniken en maakte deel uit van een ‘deltaproject’ , dat omstreeks het jaar 1000 onder leiding van deze religieuze waterbouwkundigen was gestart met de aanleg van dijken. Deze zeewaterkeringen waren een alternatief voor de tot dusver gebruikelijke vloedheuvels: de terpen en wierden. Tot ongeveer het jaar 1500 moet Delfzijl niet meer zijn geweest dan een gehucht tegen de zijlen, waar de sluiswachters en enkele leveranciers woonden. In de navolgende periode nam bij de bestuurders van de stad Groningen het besef toe, dat Delfzijl letterlijk een sleutelpositie innam. Door haar landinwaartse ligging was de stad sterk afhankelijk van de vaarwegen naar open zee: het huidige Damsterdiep en het Reitdiep. Groningen wilde daarom voorkomen dat er machtsblokken aan de vaarroutes zouden ontstaan, die wegens eigenbelang de Groningse handelsbelangen zouden kunnen schaden. Hierdoor kwam Delfzijl, dat in feite de goederenstroom van en naar Groningen kon reguleren, herhaaldelijk op gespannen voet te staan met het handelscentrum Groningen. Evenals de stad-Groninger bestuurders keken ook de Oost-Friese graven aan de andere kant van de Eems met argwanende blikken naar Delfzijl. Voor hen nam Delfzijl namelijk een overeenkomstige, zeer strategische positie in.
Want evenals dat met Groningen het geval was, kon Delfzijl ook de handel op de (Duitse) havens aan de Eems beïnvloeden en zelfs stilleggen. Het hoofdvaarwater van de Eems liep indertijd door de Bocht van Watum en passerende schepen kwamen daarmee binnen het bereik van het geschut in Delfzijl. Een gewapende macht in Delfzijl kon dus ongelimiteerd invloed uitoefenen op de scheepvaart van en naar Emden en de verder stroomopwaarts gelegen havens aan de Eems. De relatief onbeschermde ligging van Delfzijl aan de Eems maakte echter dat Delfzijl tegelijkertijd ook kwetsbaar was voor vijandelijke aanvallen over land of landingen uit zee. Vanaf 1400 was er daarom sprake van een burcht of kasteel, dat overeenkomstig de politieke en militaire situatie van dat moment wisselend geslecht en herbouwd werd. Het initiatief om de burcht te slopen, werd doorgaans door de stad Groningen genomen. In 1568, toen ons land in een tachtigjarig conflict met de Spanjaarden werd gewikkeld, gaf Lodewijk van Nassau opdracht het fort verder uit te bouwen,
maar verder dan een summiere uitvoering van het plan kwam het niet, omdat dezelfde Lodewijk al spoedig daarop door de Spaanse graaf Al va bij het (Duitse) plaatsje Jemgum aan de Eems werd verslagen. Alva trok daarna met zijn leger verder, bezocht Delfzijl, erkende onmiddellijk het strategisch belang ervan, bekeek de eenvoudige verdedigingswerken hoofdschuddend en gaf opdracht voor het ontwerpen van een heuse vesting van allure, inclusief een marine- en handelshaven. Door diverse politieke verhoudingen en ontwikkelingen zou deze stad Marsburg echter nooit in de voorgestelde vorm verrijzen. Op aandrang van Groningen werden de schamele Delfzijlse verdedigingswerken in 1577 weer eens gesloopt. Twee jaar later echter kreeg
Johan van den Kornput opdracht om een heuse vesting te ontwerpen.
Omdat Groningen steeds op een discutabele manier tussen de keus van Staats-
of Spaansgezind bleef hangen, en daarmee het begin van de bouwwerkzaamheden traineerde, was het niet een bouwkundige, maar een militair, die geheel op eigen gezag
en naar eigen inzicht een schans oprichtte…
BARTHOLD ENTENS

Tijdens de noodlottig verlopen schermutselingen bij Jemgum had een Groninger landjonker weten te ontkomen, die later een cruciale rol in het ontstaan van de ‘eerste schans Delfzijl’ zou spelen. Deze Barthold Entens, die in 1580 in Delfzijl gelegerd was, onderkende de militaire noodzaak om een kleine vesting, een schans, op te werpen en vatte de daad ook bij het woord. Deze schans was maar klein en werd (vertaald naar het heden) als volgt begrensd: gemaal ‘De Drie Delfzijlen’ – ‘De Molenberg (bibliotheek) –
molen Adam – voormalige Singelschool – gemaal. Delfzijl had nu rondom een verdedigingswal en -gracht. De kerk stond op een eilandje buiten de schans.
Nog in hetzelfde jaar namen de Spanjaarden bezit van het kleine verdedigingswerk, maar ruim tien jaar later, in 1591, werd de schans heroverd door graaf Maurits, die het besluit nam de schans uit te breiden. De begrenzingen kwamen nu, naar het heden vertaald, als volgt te liggen: vanaf gemaal ‘De Drie Delfzijlen’ links van en parallel aan de Singel, over
het terrein van rooms katholieke kerk en gemeentehuis en daarna onder een hoek naar de kruising Singel-Landstraat. Daarna onder dezelfde hoek naar de Stationsweg en vervolgens (ruwweg) aansluitend op de locatie Keerweerbrug, daarna over de dijk naar gemaal ‘De Drie Delfzijlen’. De eerste schans kwam daarmee binnen de nieuwe vesting te liggen, evenals de – nu droge – oude schansgracht. De vesting was de komende twee eeuwen rechtstreeks of zijdelings betrokken bij schermutselingen, maar ontwikkelde zich in sociaal opzicht positief: het aantal burgerinwoners nam toe, de huizenbouw eveneens en ook nam de betekenis van Delfzijl als handelscentrum toe.
DE FRANSE TIJD
Aan het eind van de achttiende eeuw pakten zich donkere wolken samen boven Europa.
De Franse soldaten van generaal Napoleon Bonaparte liepen Europa onder de voet en trokken op 19 januari 1795 ook de vesting Delfzijl binnen.
De Fransen begrepen het belang van de vesting en deden het hunne om de situatie in militair opzicht te verbeteren. Zo kregen de reeds aanwezige Kleine Kazerne en Spaanse Kazerne gezelschap van de nieuwe Grote Kazerne. De ster van Napoleon zou echter nog geen twintig jaar stralen. Zijn militaire hoogmoed kwam voor de val, zijn legers werden in de verdediging gedrukt en uiteindelijk tot capitulatie gedwongen. Voor Delfzijl had de Franse bezetting echter een onverwacht, vervelend en angstig staartje.
In 1813 leek de totale ondergang van de Franse strijdmacht nog slechts een kwestie van tijd. Kolonel Maufroy liet op de derde november de Landpoort sluiten. Toen Delfzijl tien dagen later zowel over land als over de Eems door bevrijders werd genaderd, werden alle poorten hermetisch gesloten. Maar wat een laatste stuiptrekking van de bezetters van Delfzijl leek, zou nog een bezetting en belegering van een halfjaar gaan betekenen.
Om in hun levensonderhoud te voorzien, ondernamen de Fransen in die tijd uitvallen (lees: plundertochten) naar naburige boerderijen en dorpen. De omsingelaars van Delfzijl bleken te zwak om deze uitvallen te kunnen pareren. Zinloos geweld en brandstichting van Franse zijde bleven bij deze strooptochten niet uit. In ‘De blokkade van Delfzijl’ lezen we: “Inmiddels was niets onbeproefd gelaten om de commandant der vesting tot de staking der vijandelijkheden en tot overgave te bewegen, doch tevergeefs. Hij weigerde om geloof te slaan aan de berichten, die men hem toezond aangaande de toestand van het Franse leger; hij wilde de hem toevertrouwde vesting tot het uiterste verdedigen en dreigde zelfs de zeesluizen te openen.”
Het openen van de sluizen zou een inundatie van de omgeving van Delfzijl betekenen: wellicht een probaat middel om de belegeraars op afstand te houden, maar ook een maatregel die ruïneuze gevolgen zou hebben voor de bewoners en de boerenbedrijven rond Delfzijl. Gelukkig zag de Franse commandant van deze maatregel af.
“In ‘t laatst van ‘t jaar was er heimelijk een in het Hollands en Frans geschreven proclamatie aan de bezetting van de forteres Delfzijl van de kolonel Busch verspreid. ‘Aangezien gijlieden onkundig zijt’ , zo luidde die proclamatie, ‘van de gebeurtenissen, welke de veldslag bij Leipzig hebben opgevolgd, verwittig ik ulieden, dat het Franse leger verslagen is; dat er nauwelijks 20.000 man van ontkomen zijn.’
De proclamatie werd gevolgd door een opsomming van Franse nederlagen in geheel Europa. Deze papieren oorlog was het plaatselijke militaire gezag een doorn in het oog en die besloot tot de maatregel, die iedere autoriteit op wankele basis kenmerkt: een verbod. “Met zware straffen werden te Delfzijl allen bedreigd, die zich schuldig maakten aan de verspreiding van dit geschrift, dat als leugenachtig werd uitgeroepen en alleen uitgedacht, om de bezetting te verleiden tot verraad jegens haar Keizer. Schier van alles beroofd vertrokken uit Delfzijl 260 en uit Farmsum 280 ingezetenen. De ellende in de dorpen rondom de vesting ging ook alle beschrijving te boven: duizenden waren een prooi van het nijpendste gebrek, door de steeds van brandstichting vergezelde strooptochten der bezetting en dat in een uitzonderlijk strenge winter.”
Na de winter volgde het voorjaar, waarin het eind van de bezetting gloorde.
Omdat de geruchten over de algehele Franse nederlaag bijzonder hardnekkig bleken, besloot Maufroy een officier naar Den Haag te laten reizen om zekerheid over de toestand te verkrijgen. Die kreeg daar echter geen duidelijk beeld van de toestand in Frankrijk en evenmin toestemming om door te reizen naar Parijs om zekerheid te verkrijgen. Deze weigering sterkte Maufroy in zijn achterdocht.

bij Capitulatie onder den Commandant Montfroi op den 23. Mei 1814
Ondertussen bleven de vredesonderhandelingen tussen de Fransman en de belegeraars gaande. In mei vertrok een officier naar Frankrijk, die zijn commandant zo’n veertien dagen later over de ware toestand in Frankrijk kon inlichten. Maufroy besloot daarop de bezetting te beëindigen, op voorwaarde dat hij niet hoefde te capituleren en ongestoord met zijn mannen naar zijn vaderland kon afmarcheren. Dit werd toegestaan en zo werd er een ‘stille’ wapenstilstand en overdracht van de macht overeengekomen.
Op 23 mei 1814 vertrokken de Fransen naar hun vaderland, volgens overeenkomst in militaire opstelling en volledig geüniformeerd. En hiermee schreef Delfzijl geschiedenis als de laatste plaats, waar nog Napoleontische militairen actief waren.

RUST EN VREDE
Na de Franse bezetting volgde er voor de vestingplaats een periode van vrede, waarin het aantal inwoners en behuizingen sterk toenam. De vesting had echter nog onverkort een militaire bestemming en er was daarom een Nederlands garnizoen gelegerd.
Zo’n tien jaar na het vertrek van de Fransen brachten de heren Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp een bezoek aan Delfzijl en schreven de volgende passage in hun reisverslag: “Te zes ure kwamen wij te Delfzijl in ‘t logement Emden aan bij Weisse aan, dronken thee, en bezichtigden vervolgens de stad en de haven. De vesting is met breede straten bebouwd en heeft zelfs een huis met een porte-cochère, waardoor al de andere huizen wel heen kunnen loopen. Te half negen dronken wij eene flesch wijn, en zagen de invaliden welke hier ten getale van honderd met vrouw en kinderen de groote Cazerne bewoonen, hun pijpje voor de hoofdwacht smooken.”

ROGAAR
Philippus Harmannus Rogaar werd in 1846 in de vesting Delfzijl geboren, in de Kerkstraat, als zoon van een echtpaar waarvan de man het ambt van verificateur van de douane uitoefende. Toen het moment van een beroepskeuze aanbrak, koos de jonge Rogaar eerst voor een loopbaan op zee, maar werd daarna koekenbakkersknecht, in Groningen.
Op zesentwintigjarige leeftijd keerde hij in zijn geboorteplaats terug, waar hij zich als
koopman/commissionair vestigde. Per 1 januari 1877 werd Rogaar benoemd als sluiswachter op de Groevesluis-zuidzijde in Appingedam en in 1893 op de
Wetsingesluis in het Reitdiep.

van ‘De Eemsbode’ , gedateerd 6 augustus 1874.
Evenals zijn vader en grootvader legde Rogaar zich toe op het schrijven van gedichten, waarvan een aantal in het Nieuwsblad van het Noorden werd gepubliceerd.
Ook vertrouwde hij zijn herinneringen aan de vesting Delfzijl aan het papier toe, die – gelet op de toenmalige leeftijd van onze verteller ongetwijfeld ook geënt zijn op de overleveringen van zijn eveneens vertel- en schrijfvaardige vader. Deze herinneringen werden in De Eemsbode geplaatst en zijn nu in ’Een wandeling…’ neergelegd.
De inleidende zinnen van de schrijvende verteller vertonen een opmerkelijke overeenkomst met de geluiden die ook tegenwoordig vaak na een afwezigheid van jaren uit de monden van oud-Delfzijlers kunnen worden opgetekend:
“Der zeilen nait veul ploatsen wezen dei, in de leste tied, zoo slim veraanderd binnen as mien geboorteploats Delfziel.”
Delfzijl had in de voorliggende tientallen jaren inderdaad een ongekend ntwikkelingsproces doorgemaakt, dat ‘het eigene’ en de sfeer van de plaats sterk had veranderd. Na het vertrek van de Franse bezetters in 1814 bleef de vesting vooralsnog een militair steunpunt: Nederlandse militairen en rijksgebouwen gaven de toon aan in de vestingplaats. Hieraan kwam een eind toen het garnizoen vanaf 1860 successievelijk werd teruggetrokken en er rond 1870 werd begonnen met het slechten van de wallen en het grotendeels dempen van de grachten. Hoewel de verteller/schrijver ons zijn verhaal in het oorspronkelijke manuscript in onvervalst Gronings deed, zullen wij zijn rondleiding omwille van de leesbaarheid in de Nederlandse taal volgen. Om reden van authenticiteit
zijn verteltrant en woordgebruik zoveel mogelijk gehandhaafd.

De heer Rogaar voert ons eerst over de verdedigingswallen rond Delfzijl en leidt ons dan door de plaats zelf. Interessant is, dat het stratenplan van Delfzijl anno 2000 ten opzichte van de beschreven periode nauwelijks wijzigingen heeft ondergaan. Dat levert tal van ‘herkenbare’ schetsen op, die in deze uitgave zijn aangevuld met historische en eigentijdse foto’s van de beschreven locaties.
WANDELING
“Er zullen niet veel plaatsen zijn die de laatste tijd zo zeer veranderd zijn als mijn geboorteplaats. Delfzijl van ruim vijftig jaar geleden of nu – wat een verschil! En, hoewel mij de grote vooruitgang van de plaats veel genoegen doet, en ik hoop dat ze steeds meer in bloei zal toenemen, moet ik toch eerlijk bekennen dat Delfzijl veel aantrekkelijks voor mij verloren heeft. Het is immers het Delfzijl van mijn kinderjaren niet meer. Ik voel me er zo vreemd als ik er kom en teleurgesteld ga ik weer weg. Och een mens heeft wel eens behoefte om de plaatsen waar hij als kind gespeeld heeft, weer te zien; om zich, met die plaatsen voor ogen, weer eens te verplaatsen in de tijd, zo heerlijk als geen later leven ons ooit gebracht heeft. De tijd van mijn jongensjaren, hoe vaak denk ik er nog aan, en hoe graag wil ik erover praten en vertellen!… Het is nog niet zo lang geleden dat ik een oude Delfzijler bij mij op bezoek had. Het spreekt vanzelf dat we het al gauw met elkaar over onze oude woonplaats hadden en over onze kinderjaren. In onze herinnering liepen we samen door de straten van het oude Delfzijl. Huis na huis werd behandeld, wie er gewoond had en welke eigenaardigheden ons soms van de bewoners nog voor de geest stonden.
We hebben ze weer eens opgerakeld en we hebben gelachen om wat wij als kwajongens uitspookten, en dat was niet weinig. En het deed ons beiden goed om die tijd in gedachten weer eens te beleven, die zo mooi, zo vol plezier en zo zonder zorgen was.
Dat gesprek bracht mij mijn jongensjaren weer zó helder voor de geest en meer dan eens kwamen mij die jaren ook naderhand weer in gedachten. En zo kwam ik ertoe om mijn herinneringen uit die tijd op te schrijven en een schets te maken van het Delfzijl van zo’n dikke vijftig jaar geleden, (let wel: rond 1850!) Ik schreef het in het plat Gronings, omdat volgens mij bij de herinnering aan die lang vervlogen tijd, dit plat, de taal van het oude Delfzijl, een herinnering te meer zou zijn.”
De heer Rogaar begint zijn tocht door het Delfzijl van 150 jaar geleden op de wal bij de Farmsumerpoort. Vertaald naar het heden betekent dat, dat we op de dijk bij het gemaal ‘De Drie Delfzijlen’ staan. Op de plaats van dit gemaal lagen rond 1700 drie houten sluizen (zijlen), waarmee de naam van het huidige gemaal verklaard is.
De grootste sluis lag bij de Farmsumerpoort en heette Dorpsterzijl, daarnaast lag de Slochterzijl en aansluitend de Scharmerzijl.

De Dorpsterzijl werd in de jaren 1716 en 1717 gerenoveerd of beter uitgedrukt: herbouwd, want in plaats van uit hout werd de sluis nu uit steen opgetrokken. Ruim een halfjaar later (Kerstvloed 1717) bezweek de middelste houten sluis onder het geweld van het buitenwater. Pas vier maanden later wist men het gat afdoende te dichten.
Deze sluis werd niet herbouwd. Zo’n twintig jaar later gaf de Scharmerzijl reden tot zorg. Men besloot daarop ook deze sluis te laten vervallen, waardoor er één sluis overbleef:
de stenen Dorpsterzijl. Enige jaren later, in 1748, werd er toch weer een Scharmerzijl aangelegd, nu echter van steen. Er waren nu dus weer twee zijlen.
Kort daarop werd de Dorpsterzijl gerenoveerd en werd er een materialenschuur op het terrein tussen de beide sluizen geplaatst. In 1832 werd aan de straatzijde van de schuur tevens een sluiswachterswoning gebouwd. Er volgde nu een periode van bouwkundige rust, waarin de sluizen het werk deden waarvoor ze gebouwd waren: het afwateren van binnenwater naar zee. Deze natuurlijke afvloeiing had en heeft echter een ingebakken handicap, die zich voordoet als het zeewater buiten de sluis door de heersende windrichting of wegens springtij niet ver genoeg zakt.
De sluisdeuren kunnen dan niet worden geopend, waardoor de afwatering staakt en de achterliggende wateren en weilanden als boezem moeten fungeren.
Ondergelopen weilanden en soms ook woonwijken waren het gevolg.
In 1966 besloot het Waterschap de sluizen te vervangen door een gemaal, dat onafhankelijk van de stand van het buitenwater vierentwintig uur per dag naar zee kan lozen. In 1973 werd dit gemaal ‘De Drie Delfzijlen’ in dienst gesteld.
Wij keren na deze uiteenzetting terug bij de heer Rogaar, die een begin met zijn rondleiding maakt.

OMGEVING ZIJLEN
“Ik stel me voor dat we in het jaar 1850 zijn. Delfzijl is nog een vesting en helemaal ingesloten door wallen en water. We gaan bij de Farmsumerpoort bovenop de wal staan. Tussen twee rijen bomen ligt aan de binnenkant, evenwijdig aan de wal een mooi schelpenpad. Maar we blijven eerst nog even bovenop de wal staan, want daar hebben we een prachtig uitzicht. Kijk, daar heb je de sluis met de klapbrug. Er rijdt juist een wagen met turf over en de hele brug wipwapt in de kettingen. Die turf is uit het turfschip gehaald
dat daar achter het huis van de waarman in het Damsterdiep ligt, samen met een stuk of zes kermisscheepjes. Waarom die scheepjes daar liggen, zal ik straks nog wel vertellen.”

De waarman was de sluismeester. Hij bewoonde het huis, dat in 1832 tussen de beide sluizen was gebouwd. Evenals de sluizen maakte ook deze woning in het begin van de jaren zeventig plaats voor het gemaal ‘De Drie Delfzijlen’.
De heer Rogaar: “Zoals we zien, loopt een steil weggetje van de sluis naar de weg
(de Trekweg, later Rijksweg), die hiervandaan naar Appingedam loopt.
In die weg ligt een klapbrug, die we de Rode Brug noemen. En bij die brug heb je de stenen beer, die het Damsterdiep van de Landpoortgracht scheidt.
Deze gracht loopt van het westen naar het oosten om Delfzijl heen en eindigt bij de stenen beer tussen de Landpoort en de Zoute Gracht. De haven sluit de kring van water die rond de vesting ligt. Van buiten kom je Delfzijl binnen door de Farmsumerpoort, de Landpoort, of – als je vanaf de zeedijk langs de haven loopt – door de Waterpoort.
Aan de zuidkant is er nog steeds het Klein Poortje (later ook bekend als de Kleine Waterpoort). In elk van die poorten bevindt zich een dubbel stel deuren.
Bij heel hoge waterstanden gaan de deuren van de Waterpoort en het Klein Poortje dicht om het water uit de straten te houden.

Aan de hellingshoek van het hek (links) is de steilte van de drift (het weggetje)
naar de Trekweg, later Rijksweg, af te leiden.
Maar de andere poorten heb ik nog nooit dicht gezien. Die zijn er volgens mij ook alleen maar om de Pruisen of de Fransen op afstand te houden.
Maar och, die komen hier niet en datzelfde moet onze regering ook gedacht hebben, want hier dichtbij is er een groot gat in de wal gegraven, zodat de rijtuigen die van Appingedam komen niet meer via het steile weggetje bij de sluis omhoog hoeven, maar door dat gat veel gemakkelijker Delfzijl binnen kunnen komen.”
De doorgestoken stadswal lag in het verlengde van de Trekweg, nu Rijksweg, en gaf – naast het beschreven voordeel voor de koetsen – ook een regelrechte verbinding tussen het hart van de plaats Delfzijl en de aanlegplaats van de trekschuit Delfzijl – Groningen, die bij gebrek aan trein- en busvervoer een belangrijke rol in het provinciale personenvervoer speelde. Ook was er nu een logische, rechtstreekse verbinding tussen deze trekschuit (de snikke) en de snikstal aan de Oude Schans. Omdat Delfzijl nog steeds de status van vesting had en er om die reden ook nog steeds Nederlandse soldaten gelegerd waren, was er in de doorbraak een ijzeren hek dat, volgens de herinnering van Rogaar, om voor hem onbegrijpelijke redenen gewoonlijk openstond. Het hek zal echter ongetwijfeld een militaire functie hebben gehad. Delfzijl was immers nog een militaire vesting en in spannende tijden zou het hek ongetwijfeld op militair bevel gesloten zijn.

Ook het niveauverschil tussen de vroegere schans (Farmsumerpoort)
en de omgeving is hier nog steeds goed merk- en zichtbaar.

De heer Rogaar schreef: “In dat gat is een groot hek dat altijd openstaat. Waar dat hek voor dient, begrijp ik niet. Of het moest al zijn omdat de kwajongens er op kunnen
klimmen, de broek openscheuren, en als ze dan thuiskomen flink wat klappen oplopen.
Op de buitenberm van de wal staat een dikke hagendoornheg, die juist op dit moment door de oude Kim geknipt wordt. En verder is daar de brede gracht waarin groen, soms enigzins stinkend water staat en daarachter bevindt zich het groene land met in de verte boerderijen en de dorpen Biessum en Uitwierde.
Wij zullen nu verder langs het schelpenpad kuieren en ik zal hier en daar wat aanwijzen geven, om, als we op deze manier rond Delfzijl gekomen zijn, ook eens door de straten te lopen waar we dan vast en zeker nog wel iets bekends van vroeger zullen tegenkomen.”
DE SINGEL
We verlaten de dijk ter hoogte van het huidige gemaal ‘De Drie Delfzijlen’, lopen langs het binnentalud van de dijk naar beneden en wandelen langs de zogeheten drift (weggetje) naar wat tegenwoordig de Singel heet. Rogaar houdt daar de pas in en wijst ons op het gebouw aan de rechterzijde van het pad, op de plaats waar momenteel de voormalige Singelschool staat. Direct daarnaast bevond zich tussen de voormalige school en de synagoge de gracht van de eerste schans, die in de richting van molen Adam liep.
Het voormalige schoolplein ligt niet horizontaal, maar iets hellend.
Dit heeft vermoedelijk te maken met de inklinking van de ‘nieuwe’ grond, die bij de bouw van de Singelschool in de voormalige gracht werd gestort.

Inzet: De Singelschool in oorspronkelijke luister.
Rogaar vertelt over het toenmalige gebouw aan de rechterkant:
“Al gauw zien we rechts van ons een huis met een hoge muur eromheen.
Dat is het kruithuis. Er liggen heel wat vaatjes kruit in. Een paar keer per jaar worden die vaatjes geïnspecteerd en zo lang als ze daarmee aan het werk zijn, mogen de mensen die er dicht bij wonen geen vuur gebruiken. Even voorbij het kruithuis is de scheiding van de oude en nieuwe schans. Van Delfzijl is het ene gedeelte veel hoger dan het andere.
Het hoge gedeelte is de oude schans en dus eigenlijk het oude Delfzijl. Wat verderop komt, is er later bijgekomen en ligt ook lager. En zo komt het dat het huis waar we (na het passeren van het Kruithuis) nu langs lopen zo ver in de diepte ligt.

Het is een soort buitentje, met een mooie tuin erachter. Dit huis heet het commandement en het wordt bewoond door de kapitein van de soldaten.”
Het commandement werd in 1712 gebouwd en stond (vertaald naar de situatie anno 2000) aan de Singel, min of meer tegenover de rooms-katholieke kerk.
Het gebouw was de opvolger van het commandement bij de Kleine Waterpoort,
dat daarna als pastorie van de Nederlandse hervormde kerk in gebruik werd genomen.
Het laatste commandement (aan de Singel) werd omstreeks 1860 voor burgerbewoning vrijgegeven en viel in 1916 onder de slopershamer.
We vervolgen onze weg nu niet over de huidige Singel, omdat daar indertijd de voet van de vestingwal lag, maar buigen op het Commandementsplein ‘een woningdiepte’ naar rechts en lopen nu in gedachten linia recta naar de Landstraat, waar ons ‘gedachtenpad’ aansluit op het gangetje tussen herenmodezaak en groenteboer.
In onze ‘looprichting’ stond er tot in de jaren zestig aan de linkerkant een voormalige kazerne en verderop in het straatje, aan de rechterkant de gereformeerde school en aansluitend de pakhuizen van een groothandel. Maar laten we terugkeren naar Rogaar, die op het punt staat ons iets over dit straatje anno 1850 te vertellen.

“Wat verder zien we een lang, nogal laag gebouw. Dat is de Franse bakkerij. Daar werd in de Franse tijd brood gebakken voor de soldaten. De ovens zitten er nog in. Het is later wat vertimmerd. En nu woont aan het ene eind de postmeester en in het andere de nieuwe rijksveldwachter, een echte duvelse kerel, die steeds de een of de ander om een ding van niks eraan lapt, en de jongens direct achter de broek zit als ze eens wat uitvreten.
Direct achter de bakkerij staat een soort schuur die van dikke latten is opgetrokken en met pannen bedekt. Daar bergen ze de kruitwagens en zulke dingen in.
Even voorbij die schuur komen we aan bij de Landpoort.
Voor de poort ligt, over de gracht, een lange brug, de Landpoortsbrug.”

Het eerste deel van deze kazerne was, zoals Rogaar beschrijft, de bakkerij voor de Franse militairen en werd ook na het vertrek van de Fransen nog steeds als ‘de Franse bakkerij’ betiteld. Het aansluitende stuk kazerne heette de Spaanse kazerne. Deze kazernes zouden jarenlang voor veel gezinnen als woonhuis dienen. Als we deze kazerne voorbijgelopen zijn, staan we op de huidige kruising Binnensingel-Landstraat. Als we naar links kijken, zien we de Landpoort, die exact op de kruising SingelLandstraat stond.
De Landpoort en Landpoortbrug lagen dus in het verlengde van de huidige Landstraat.
Aan de landzijde boog de aansluitende weg (vertaald naar het heden) links langs het NS-station, daarna schuin over het huidige spoorwegemplacement en dan ‘het land in’, naar Den Dam, Uitwierde en Groningen. In een hedendaagse vertaling: de Landstraat sloot aan op de huidige Uitwierderweg. Voor een goed begrip: de situatie veranderde ingrijpend toen het spoorwegemplacement werd aangelegd. Er kwam een spoorwegovergang ter hoogte van de Grote Kazerne en een weg, parallel aan de spoorlijn – onder Delfzijlers nog vaak ‘achter ‘t spoor’ genoemd – die de spoorwegovergang en de bestaande Uitwierderweg met elkaar verbond. Deze nieuwe verbindingsweg tegenover het NS-station, waar in de jaren dertig en veertig woningbouw plaatsvond, wordt tegenwoordig ook wel aangeduid als ‘de oude Uitwierderweg’, ter onderscheiding van het gedeelte dat door het relatief nieuwe plan Noord loopt. Puur geschiedkundig is dit echter een omkering van feiten. We haasten ons nu echter terug naar de heer Rogaar, die zich nog steeds op de kruising Binnensingel – Landstraat bevindt.


stond aan de overkant van de straat de Kleine Kazerne.

DE VENNEN
“We staan nu aan het einde van ‘de landstraat’ en kunnen die tot aan het andere eind doorkijken. Wij steken de straat over (laten de Landpoort dus ‘links liggen’) en komen weer bij de wal. Deze wal noemen ze ‘poaske wingelwaal, zeker omdat ze er tijdens Pasen altijd bezig zijn met notenschieten, een andere reden zou ik er tenminste niet voor weten. Langs een heel eind van de wal bevindt zich hier de lijnbaan van Leeuw. Het rad wordt gedraaid door Neele. Die is niet helemaal goed bij zijn verstand en gaat soms de boer op, of gaat bij schepen langs om om een beetje eten te vragen. Hij heeft dan een blikken soldatenketel bij zich. Het gebeurt wel eens dat hij zo veel krijgt, dat hij het niet in zijn keteltje kan bergen. Nou, dan doet hij de rest in zijn pet, alsof het groene erwten zijn. ‘Een stukje brood alstublieft’, is zijn gewone vraag op halfhuilende toon. De oude Jaap is aan het spinnen. Hij heeft een rol hennep om zijn lichaam gewonden, is aan het spinnen. Hoe meer hij achteruit gaat, hoe meer hij vooruit komt, want met achteruit lopen verdient hij de kost. Dat is nog een raadsel uit de oude doos. Aan het eind van de lijnbaan is een groot grasveld, ‘wingel’ noemen wij dat. En schilderachtig wordt daar aan de zijkant, tussen de bomen en het groen, een wit bepleisterd huisje zichtbaar, het ‘Hofke van Flora’. Wij verlaten de wal nu en lopen voor ‘de kleine kazerne’ langs: een gebouw met een stuk of tien kamers naast elkaar. In de eerste, met de tralies voor de ramen, is de provoost. Daarin moeten de soldaten die wat uitgevreten hebben een dag of meer brommen. In de volgende kamer is een soort militair hospitaal. Daarnaast woont een sergeant die getrouwd is en soms ook wel eens een commies. Enige kamers staan leeg en aan het eind is nu de touwpluizerij van de werkverschaffing. Voor de kleine kazerne ligt een stuk groenland. Daar worden de recruten op gedrild. Een eindje verderop staat ‘de grote kazerne’ , een behoorlijk gebouw met behoorlijk wat grote kamers. Hier wonen de soldaten, meestal ruim honderd man. Voor de kazerne ligt ‘de Vennen’. Zo heten de drie stukken land die zich uitstrekken van de kleine kazerne tot aan de lijnbaan van Borst, (de latere Lijnbaanstraat) die direct tegen de wal bij de Zoute Gracht ligt. Het is een leuk gezicht dat bijna midden in het verder zo dichtbebouwde Delfzijl koeien in het land lopen en het hooi er in oppers staat.”

Het weiland, dat Rogaar aanduidt, was in de militaire tijd exercitieterrein. Op dezelfde plaats bevindt zich anno 2000 het winkelcentrum ‘De Vennen’, dat qua oppervlakte slechts een fractie is van het oorspronkelijke terrein als door Rogaar geschetst. Vertaald naar de huidige situatie moeten de twee kazernes die de begrenzing van de ‘oude Vennen’ vormden, als volgt worden gelocaliseerd: de Grote Kazerne op het parkeerterrein naast het restaurant China Garden, evenwijdig aan de Havenstraat en de Kleine Kazerne min of meer haaks daarop tussen Shell-locatie en de Noorderbinnensingel. Het terrein werd aan de zuidkant begrensd door een lijnbaan (latere Lijnbaanstraat) tegen de huidige dijk langs het haventerrein. De volgende aantekeningen van Rogaar verschaffen ons een beeld van het militaire geschutsarsenaal anno 1850:
“Achter de grote kazerne is een met palen afgeschut terrein en daar liggen op schragen verscheidene grote en kleine kanonnen en hopen kogels. Het is niet te hopen dat die hier dienst behoeven te doen. Konden alle kanonnen en kogels maar voor oud roest verkocht worden! Het zou er zeker niet minder om zijn. We lopen nu de kazerne voorbij en gaan de wal weer op. Wat een mooi uitzicht hebben we hier.”
BUITEN DE WAL
“Daar, aan de andere kant van de Zoute Gracht ligt de grote, hoge zeedijk en daarachter de brede, diepe Eems. Met dit heldere weer kijken we de hele Eems over, tot aan de Oost-Friese kust in het oosten en tot aan de Bocht van Watum in het noorden.
We zien schepen, groot en klein, een- en tweemasters, met volle zeilen, sommige voor wind en stroom afgaand en andere zich er tegenop werpend. Verderop op de rede liggen een paar schepen voor anker en vanuit de haven roeien er een paar bootjes heen.
Wat verderop zien we een schip dat ankerop gaat. Wij horen het klipklap van het ankerspil. De bovenzeilen worden losgemaakt, de onderzeilen gehesen en met de Delfzijlse collegevlag in top verlaat dit schip de rede. Door het een paar keer op- en neerhalen van de vlag wordt er een afscheidsgroet gebracht aan achterblijvende vrienden. Een prachtig gezicht, onze oude Eems, vindt u niet?

En het is voor ons geboren Delfzijlers moeilijk om er afscheid van te nemen. Ik wijs u nog even op het ‘Blokhuis’ (fortificatie met geschut ter hoogte van het huidige Eemshotel) dat verderop op de dijk staat, waarna wij onze weg over de wal vervolgen, richting Waterpoort. Vanaf de poort tot aan de zeedijk ligt (buitendijks) langs de haven een breed, stenen pad. Vroeger was dat een pad van planken op palen.
Nog steeds zijn er vier van die plankpaden die, haaks op het stenen pad de haven inlopen. Eerst heb je er een direct voor de Waterpoort. Wat verder is er een die veel breder is, waar altijd schepen met averij (schade) liggen – als die er tenminste zijn en dat gebeurt lang niet vaak genoeg – maar waar ook gelost wordt en waarop een geel, houten gevaarte staat, dat vroeger een lichterkraan was en nog steeds ‘kraan’ wordt genoemd.
Verder het plankpad naar de boom, de ingang van de haven. En dan nog een lange die een eind de Eems inloopt en waar de vuurtoren op staat.”

Deze afbeelding toont de omgeving van de vuurtoren (1889) en de havenmond.
De ingang van de haven was veel smaller dan het havenbekken zelf. Iedere avond werd in de haveningang een lange paal – een boom – gelegd, die in- en uitvaart onmogelijk maakte. Het ‘boomshoofd’ was tot de reorganisatie van het havengebied in 1903 een begrip, waar in- en uitgaande schepen op enige meters afstand van de toeschouwers voorbijschoven.
Rond 1890 werden in een Duits-Nederlandse samenwerking vuurtorens op de Duitse en Nederlandse Eemsoevers geplaatst. De ‘vuurtoren’ die Rogaar hier bespreekt, moet het vuurtje zijn geweest dat de ingang van de haven markeerde.
“Voordat we verder lopen naar de Waterpoort, moet ik nog even op het houten gebouwtje wijzen. Het ‘Wachthuis’ of ‘Commiezenhuisje’, zeggen ze er ook wel tegen,
het kantoor van mijn beste, brave vader, die daarin meer dan dertig jaar achtereen,
vol ijver en getrouw zijn betrekking heeft vervuld.
En, omdat we nu zo opeens via de wal buiten de Waterpoort zijn verzeild geraakt,
willen we toch ook het een en ander over de haven vertellen.”


BIJ DE WATERPOORT
(De heer Rogaar zet nu de begrenzing van de toenmalige haven uiteen).
“Vanaf het Boomshoofd bij de haveningang is een dijk van ‘vlinten’ (keien) tot aan de zeedijk bij Farmsum gelegd. Daarna vormt de zeedijk met daarin de beide sluizen een begrenzing en vervolgens de wal vanaf de Farmsumerpoort, langs de Waterpoort, tot en met de stenen beer aan het einde van de Zoute Gracht: daartussen ligt dus de haven.
Bij normale waterstanden blijven het stenen pad (aan de havenzijde van de wal) en de plankpaden droog. Maar bij een dikke noordwesten wind wordt het water soms zo hoog opgestuwd, dat het tot tegen de bovenkant van de wallen komt te staan. Dan worden de deuren van de Waterpoort en het Klein Poortje gesloten en worden er wagens vol mest tegenaan gebracht. Een enkele keer komt het water tot aan de bovenkant van de wal en dan maakt men zich grote zorgen over een doorbraak. Tijdens laag water is de haven een slijkboel en komen de schepen tot aan hun kiel droog te liggen.
In het midden van de haven blijft in een geul water staan. Die geul, ‘de riet’ , ontstaat door de uitwatering van de sluizen. Op het ogenblik is het hoog water en bij het plankpad voor de Waterpoort liggen een paar Zoutkamper vissersschepen. Een paar van de schippers sjouwen een paar korven vol schol en schelvis naar het houten huisje, dat direct naast de poort staat. Dat is het zogenaamde vishuisje. Er staat een hek van palen omheen en daar brengen ze hun vis heen. Vier vrouwen, ‘de visvrouwen’, nemen de korven aan, doen wat schol en schelvis in een paar platte korven en zetten die dan op een bankje vlak voor het huisje. Er zal nu worden afgeslagen. Er staan een heleboel mensen bij de schutting, die ongeduldig wachten op het begin van de afslag. Eindelijk komt de afslager, de oude K. Hij gaat het huisje binnen, schuift het brede raam omhoog, zet een geldbakje en een inktpot voor zich neer op het tafeltje en nadat hij zijn bril heeft rechtgezet en het boek heeft opengeslagen, vraagt hij aan een van de visvrouwen: ‘Klaar Trien?’ ‘Ja,‘ roept Trien, ‘begin maar’. En K. hoest even en begint dan met: Tien… negen… acht… zeven… zes.
Er is geen mens die nog een mond opendoet, allemaal kijken ze gespannen naar de korf op het bankje en de ogen, vooral die van de visvrouwen, glinsteren. Trien staat vlak bij het raam en wil K. het woord wel uit de mond trekken. Nog een ogenblikje en dan zegt hij: Vijf! En nu gaan de armen omhoog en schreeuwen ze allemaal tegelijk ‘Mient! (mijn!).
Trien schreeuwt het hardst en steekt onder het roepen haar arm door het raam, waarop K. haastig achteruit wijkt. ‘Trien!’ , roept hij, en dat wil zeggen dat Trien de koopster is.
Er volgt gemopper van de andere vrouwen en van omstanders dat zij en niet Trien het eerst geroepen hebben. Maar dat helpt ze niets, want tegen de uitspraak is geen beroep mogelijk. Trien pakt de korf, gooit die in haar eigen hengselkorven leeg en gaat naar binnen. Zij is klaar. En zo gaat het uitventen door tot de schepen leeg zijn. De meeste aanwezigen krijgen een zootje vis, bergen dat weg in een netje of in een zakdoek en verdwijnen ermee. Voor en onder de poort staat aan weerskanten, met de rug tegen de muur een behoorlijk grote groep sjouwerlui, die op het ogenblik geen werk hebben.
Nu we de poort doorgaan, moeten we over een stroom tabaksspuug lopen.
En laten we er wel om denken dat we ze groeten, want anders konden we wel eens een compliment oplopen. Dat we toch nog wel even over de hekel zullen worden gehaald is wel zeker, maar dat horen wij niet. Want we gaan direct bij ‘vraauw’ K. Diekhoes
weer de wal op. Veel is er hier niet te zien.
Links heb je de haven en rechts de tuinen van de huizen achter de Marktstraat.”

Op de plaats van het huidige kantoor Wagenborg stond vroeger het vermaarde hotel ‘De Beurs’, dat met name regionale bekendheid genoot door de grote tuin, waarin het met mooi weer voor de gasten uitstekend toeven was. Kort voor de Tweede Wereldoorlog maakte het hotel plaats voor het kantoor van Wagenborg’s Scheepvaart en Expeditiebedrijf. Door een toename van bedrijfsactiviteiten werd ook de aankoop van aanpalende panden noodzakelijk. De diepe tuinen maakten tevens uitbreiding in achterwaartse richting mogelijk. Eind jaren negentig werden ook de panden van voorheen Loodswezen en Dienst Belastingen door Wagenborg Shipping b.v. verworven. De tuinen achter de panden werden bestemd als parkeerplaats. Anno 2000 is het pand van voorheen Loodswezen nog herkenbaar. In deze tuin stond vroeger een vierkant getuigde mast, waarin leerlingen van de zeevaartschool hun eerste ervaringen in zeilbehandeling opdeden. Verder wandelend ontdekt Rogaar nog een tastbare herinnering aan zijn jeugdjaren: “Toch zien we hier nog een oude bekende, het grote kanon daar in de hoek van de wal: “t kanonstuk’, zoals wij altijd zeggen.

herinnert nog in ongewijzigde staat aan de vestingtijd.
We komen nu langs de smederij van S. en hier is aan weerszijden van de wal en muurtje opgetrokken. Rechts heb je nu de straat en links een stuk grond aan de haven, waarop hier en daar een omgekeerde boot of een hoop ankerkettingen of ankers ligt.
Verderop in de hoek is een stoelenmatter aan het werk.
Dat stukje land heet ‘buiten het kleine poortje’.


Met de heer Rogaar stuiten we bij onze wandeling over de wal (dijk) nu op een doorbraak in de wal, het Klein Poortje, (later Kleine Waterpoort). We gaan daar langs de binnenkant van de dijk naar beneden en lopen verder via het steegje, dat door Rogaar als ‘Ter Steegs gaankje’ betiteld wordt en later in de volksmond algemeen als ‘het Jenevergaankje’ bekend zou worden. De heer Rogaar omschrijft de omgeving als volgt:
“Bij het kleine poortje gaan we van de wal af en lopen tussen de wal en dominees tuin (’domies toen’) door Ter Steegs gangetje. We staan nu weer voor de Farmsumerpoort en zijn dus helemaal rond Delfzijl gekomen.”
DELFZIJLS CENTRUM
Na deze rondgang over de vestingwallen en dus over de grenzen van de vesting Delfzijl, neemt de heer Rogaar ons mee voor een voettocht dóór het vroegere Delfzijl. Een gelukkige omstandigheid is, dat het stratenplan van de havenplaats ten opzichte van de beschreven periode vrijwel ongewijzigd is gebleven. Het is daarom niet moeilijk de beschreven situatie te herleiden naar de dag van vandaag, anno 2000.
De heer Rogaar schreef:
“En nu er doorheen (lees: door Delfzijl). Direct aan de poort (Farmsumerpoort) staat een huisje met een bijzondere bouwstijl. Het heet ‘de wacht’. Vroeger hebben de soldaten, die bij de poort op wacht stonden, hier hun verblijf in gehad. Als je de deur opendoet, kom je direct in een soort zaal, met een grote houten brits erin. Er is ook een klein kamertje voor de sergeant. Later, toen er geen soldaten meer in hoefden, maar toch de poort nog gesloten werd, woonde er een portier in, die de poort open en dicht moest doen als er verkeer uit- of inging. Ik denk dat de oude man, die er nu in woont, hier vroeger portier is geweest, want als ze hem aanspreken zeggen ze nog altijd ‘portier’. Ernaast staat een mooi herenhuis met een houtstek (houtopslagplaats) erbij.”
Uit het beschrevene blijkt, dat de vestingpoorten ook na het vertrek van de soldaten ‘s avonds nog gesloten werden. Het aangeduide mooie herenhuis met houtstek behoorde tot in de jaren zeventig toe aan de familie Rottinghuis. De muurankers in de gevel vermeldden het jaartal 1641. Toen dit huis in de jaren zeventig, wegens de bouw van een gemaal leek te moeten wijken voor een andere infrastructuur, werd er door diverse ingezetenen actie gevoerd om het historische pand voor Delfzijl te behouden. Dat mislukte, maar de toezegging werd gedaan dat de muurankers behouden zouden blijven. Men heeft die belofte gestand gedaan, zij het uit een historisch oogpunt bezien allesbehalve respectabele en representatieve manier. De bijkans vierhonderdjarige muurijzers tooien momenteel het zijgeveltje van een serie autoboxen naast de flat ‘Vestpoort’… “Aan de overkant een herberg, een winkeltje en een herenhuis op de hoek.
Tegenover dat hoekhuis weer een herberg en dan een grote schuur met een woonkamer ervoor. Boven op het dak staat een houten stellage en daar hangt een klok in. Die schuur is de ‘snikstal’ en die klok ‘het snikklokje’. Hier worden de snikpaarden gestald en de man die er op past – ‘stalman Iko’ – woont in de kamer en houdt er een kroegje. Een tijdje voordat de snik van de wal vertrekt, wordt er met dat klokje geluid.
‘En blaast de jongen op de hoorn’, zegt het liedje.
Daarnaast staat een pakhuis en op de hoek van het ‘Kerkstraatje’ is de Jodenkerk
en daar weer tegenover woont de dominee van de ‘Grote kerk’.
Tot zover wordt de straat genoemd ‘Voor de Farmsumerpoort’,
en dan begint de Marktstraat.

Let vooral op beide ramen, uiterst rechts.

Let vooral op beide ramen, uiterst rechts.


We staan nu op de kruising Kerkstraat en huidige Oude Schans. Rechts van ons bevindt zich het ‘Klein Poortje’, later Kleine Waterpoort, in de vesting wal, waardoor we een doorkijkje hebben naar de haven en naast ons, rechts op de hoek, de hervormde pastorie. Tot 1712 was dit het militaire comman- dement en hier maakte bijvoorbeeld admiraal Michiel Adriaansz. De Ruijter in 1666 zijn opwachting, toen hij op een retourreis van Indië de Eems opliep en op de rede van Delfzijl ankerde.
Ons land werd op dat moment in de greep gehouden van onze erfvijand ter zee: de Engelse vloot, die alle zeegaten hermetisch afgesloten had. De beroemde vlootvoogd omzeilde de tegenstander letterlijk door de indertijd moeilijk bevaarbare Eems op te varen. De aankomst van de admiraal luidde uiteindelijk de overwinning op de Engelsen in.
Een beeldschets uit die tijd luidt: “De mensen, mannen en vrouwen, kwa men bij duizenden, van uur tot uur, op de vloot en op De Ruijter’s schip (daar vele Engelse vlaggen, tot eretekenen der overwinning, achteruit sta ken) om hem te begroeten en te verwellekomen.”
Dat was in 1666. In de herinnering van onze verteller staan we nu zo’n twee honderd jaar later, rond 1850, voor hetzelfde pand. Rogaar over het oude commandement, nu pastorie:

Geheel linksonder in beeld: locatie commandement/pastorie
“De pastorie is nogal groot, met een mooie, brede stoep ervoor. De ouwe dominee komt juist naar buiten en loopt voorzichtig de stoep af. Hij is slecht ter been: hij heeft een horrelvoet en daarom loopt hij erg gebrekkig en heeft hij zijn stok ook wel nodig.
Hij heeft zijn steek op, draagt een ‘sliprok met korte broek, zwarte kousen en lage schoenen met grote zilveren gespen’. Het is een merkwaardig heerschap en rare uitvallen die hij soms kan doen! En dan de verhalen die van hem verteld worden,je kunt het niet geloven. De een weet dit van hem en de ander weer dat, maar het zijn altijd onschuldige dingen waar je om moet lachen.
Een van zijn bijzonderheden is dat hij zo bang is voor schieten en voor onweer. Als het dondert kruipt hij in een donkere kast, zeggen ze. Met nieuwjaar schieten de kwajongens hun vuurwerk daarom juist onder ‘domies’ ramen af. En iedere keer als ze wat afsteken, roepen ze eerst: domi nee, in de kast! Net wat voor zulke kwajongens. Maar om al die mopjes over de dominee te vertellen, ligt niet op mijn weg. De ouweheer neemt zijn steek voor ons af en strompelt het Kerkstraatje in.”





MARKTSTRAAT
“Wij komen nu in de Marktstraat, een smalle straat. Verderop wordt hij breder en zijn er ook trottoirs of ‘padjes’ zoals wij zeggen, voor de huizen. Maar hier is alleen voor enkele huizen een voetpad en daarom moeten wij wel over de straatstenen lopen. Nou, dat is ook niet alles, vooral voor iemand die last heeft van likdoorns. Want het zijn immers stenen zo dik als kinderkoppen. Dat bezorgt je wel last, die stenen. En als de boeren van buiten de landspoort met hun boerenwagens en twee dikke paarden ervoor soms haast in draf door de straat rijden, dan dreunen de huizen, rinkelen de ramen en trilt je de stoel onder ‘t gat.
Als we de beide huizen aan onze rechterhand voorbij zijn, hebben we, tot aan de smederij, het muurtje van de wal waar ik zo-even al van sprak. Aan de andere kant van de straat zijn winkels, een kroegje en een gangetje dat naar de Gereformeerde kerk leidt. Nu krijgen we aan weerszijden weer huizen tot aan de stenen brug, die midden in de straat ligt. Dat is de Kakebrug en hier is weer de scheiding tussen de oude en de nieuwe schans.”
Het tussenvoegsel ‘weer’ refereert aan een andere scheiding tussen de oude en nieuwe schans, die we direct aan het begin van onze wandeling bij het kruithuis zagen. Beide locaties tonen ons de uiterste begrenzingen van de eerste schans. We vernamen toen al uit de uiteenzetting van de heer Rogaar, dat de oude schans hoger lag dan de latere uitbreiding. Dit niveauverschil is ter hoogte van ‘De Molenberg’ (bibliotheek) nog steeds duidelijk merkbaar in het straatniveau. Over de oude – na de vestinguitbreiding droge – schansgracht werd een brug gelegd tussen de oude en de nieuwe schans, de Kakebrug.
Naderhand werden in de richting van molen Adam ook huizen in de oude schansgracht gebouwd. Ook de zaal van de naoorlogse Delfzijlse bioscoop ‘City Theater’ lag in de voormalige schansgracht. In tegenstelling tot de bezoekers met goedkopere plaatsbewijzen zaten de bezitters van de duurdere plaatsbewijzen op een balkon, dat zich in werkelijkheid echter op straatniveau bevond.
“Links gaat er een pad naar de molen.
Dit pad is de hoogste plek van Delfzijl en heet de Molenberg.

Een paar huisjes staan op gelijk niveau met het pad maar verscheidene liggen zover naar beneden (zo laag), dat het dak op gelijke hoogte van het pad ligt en de mensen die er wonen via een trapje naar boven, naar het pad gaan. Er komt juist een man van de Molenberg aanlopen, met een grote bel in de hand. Het is de omroeper. Hij gaat midden op de brug staan en begint met zijn bel te klingelen. Al gauw staat er wat publiek om hem heen en nu houdt hij op te luiden, pakt een papier uit zijn zak en leest dan voor met een stem of het uit een vat komt: ‘Meester H.J. Offerhaus, notaris te Delfzijl, zal hedenavond precies te zeven uur ten huize van de logementhouder (naam) publiek verkopen’, enz. En later, maar dat gaat niet van het papier, dat gaat spontaan: ‘Er is verloren een gouden ring.
Die dezelfde gevonden heeft en bij mij bezorgt zal goed beloond worden.’
Nog even weer klingelingeling en dan loopt hij verder om hetzelfde op iedere hoek van een straat opnieuw te vertonen. Als we de brug (de Kakebrug) overlopen en de goudsmidswinkel en een paar herenhuizen voorbij zijn, wordt de straat veel breder.
Hier hebben we weer een smederij, met een noodstal ervoor, (locatie: voormalig bankgebouw). Een paar jongens die op de kettingen van de noodstal zitten te schommelen, worden weggejaagd. Want ouwe Iko komt eraan met een snikpaard dat beslagen moet worden. Het paard wordt in de stal gezet, krijgt kettingen onder het lijf door en een touw om een achterpoot. Een paar mannen trekken die poot wat omhoog en binden hem vast. Een stuk of zeven mannen staan er omheen toe te kijken en daar is ook een meneer bij met een vilten punthoed op. Arend, de zoon van de smid, komt de smederij uit met een gloeiend heet hoefijzer in de tang en houdt dat tegen de hoef van het paard. Het sist en de rook vliegt er af. Het paard wringt en trekt wat met zijn poot. Hij draait de kop een beetje achterom en roept nu opeens: ‘O, duvel wat doe jij mij zeer!’ Arend kijkt verwilderd op, gooit het hoefijzer op straat en rent zo hard de smederij in dat zijn sloffen hem uitvliegen. Algemeen gelach en vooral van Iko die er slap van ligt, zoals hij zegt.
Ten slotte roept hij tegen Arend: ‘Och domme bliksem, het is Lantinga maar.’
Ja, de meneer met zijn punthoed op, die nu in zichzelf lachend wegloopt is de algemeen bekende buikspreker. Arend schaamt zich en wil niet direct weer naar buiten komen. Daarom moet de ouwe baas het werk nu zelf wel afmaken.

Anno 2000: de Schoolstraat. Huizen op de wal (rechts),
huizen in de oude schansgracht (links).
Direct naast de smederij staat een erg lang gebouw. Dat is het arsenaal, oftewel het magazijn van oorlog, waar tegenwoordig niets meer van de ‘soldaterij’ in opgeslagen ligt. Het magazijn is aan het andere eind van de grote deuren en aan deze kant is de woning van de magazijnmeester. Verderop, op de hoek van het arsenaal staat het schildwachthuisje, want ‘s nachts staat hier een soldaat op post.
Voorbij het arsenaal staat een grote victualiewinkel.


Voor ons ligt nu de Landstraat, eigenlijk de mooiste straat van Delfzijl. Breed en recht als een kaars met flinke trottoirs voor de huizen, zodat je er met plezier doorloopt, ook al heb je likdoorns. Op de ene hoek van de straat staat weer een rijksgebouw, ‘de hoofdwacht’. Maar die wordt niet meer gebruikt en staat leeg.




De Marktstraat loopt verder door tot aan de Waterstraat.
Hier staan vier, nogal grote herbergen. De grootste en mooiste is ‘De Beurs’
en daarin bevindt zich ook het gemeentehuis.


Direct naast ‘De Beurs’ staat weer een rijksgebouw. Ja, daar zijn er hier genoeg van. Dat is het ‘Geniehuis’ , de woning van de kapitein van de Genie.
En nu staan we voor de Waterpoort en weer kijken we nu zo’n lijnrechte straat in die evenwijdig aan de Landstraat loopt. Dit is de Waterstraat. Bij de poort staat een ‘Wacht’ net als bij de Farmsumerpoort en bij de Landpoort. Maar deze is wat groter en wordt ook nog als soldatenwacht gebruikt. Een man of tien met een sergeant en een korporaal houden er een etmaal de wacht en worden dan weer vervangen door een andere troep,
‘s Avonds komt er een tamboer van de kazerne en als het negen uur is, komt de wacht in het geweer, zoals dat heet. Dan slaat de tamboer een roffel, gaat vervolgens door de Waterstraat weer naar de kazerne terug en slaat daarbij onophoudelijk op de trom.
Dat noemen ze ‘de taptoe’.”

omdat burgemeester, secretaris en ambtenaren er zetelden.
Pas in 1899 kreeg Delfzijl een ‘echt’ gemeentehuis.
Word vervolgd……


