Een Pekelder Communist

Eppo Orsel en de gemeenteraad van Oude Pekela in de crisisjaren.

Bij de verkiezingen voor de gemeenteraad in 1931 verwierf de Communistische Partij Nederland (CPN) in Oude Pekela één zetel, en was daarmee voor het eerst in de gemeenteraad vertegenwoordigd. Namens de CPN nam Eppo Orsel zitting in de raad. Vanaf dat moment tot aan zijn vertrek uit de gemeenteraad in 1937 is het niet
meer rustig geweest tijdens de raadsvergaderingen.

eppo orsel

Eppo Orsel werd op 2 maart 1902 in Nieuwe Pekela geboren.
Zijn vader was geschoold timmerman en het gezin, waar Eppo uit voortkwam, is te typeren als een  degelijke arbeidersfamilie. Hij huwde Lutia Kuiper (geb. 4 sept. 1904) en vestigde zich in Oude Pekela waar hij woonde aan Noodvlucht 18, nu Tuinbouwwijk.
Hij was werkzaam als fabrieksarbeider. Uit het huwelijk werden vier kinderen geboren, drie zoons en een dochter. Zijn dochter herinnert zich haar vader als een goede man,
die in de moeilijke crisisjaren goed voor zijn gezin kon zorgen. Armoede hebben zij niet gekend. Die armoede was in de omgeving wel aanwezig. De dertiger jaren waren slechte
jaren voor arbeiders. De werkloosheid was groot, de inkomens laag, huisvesting slecht geregeld en ziekte, waaronder de gevreesde tuberculose, een vast metgezel van menig arbeidersgezin. Eppo trok zich de omstandigheden van de arbeiders aan.

Hij was communist in hart en nieren en zette zich in voor wat hij ‘de paupers’ noemde, de mensen die absoluut niets hadden. Hij werd de vraagbaak voor arbeiders en zijn huis zat doorgaans vol met mensen die in de problemen zaten of raad nodig hadden.

Het bleef niet bij raad alleen. Eppo probeerde voor eten te zorgen waar dat nodig was, praatte geld los bij de gemeente voor wie dat niet had. Daarbij was hij zeer vasthoudend, tot ongenoegen van de autoriteiten waarmee hij te maken had.
Eppo Orsel was geen gemakkelijke man. Hij had als opleiding niet meer dan lagere school, maar had zichzelf ontwikkeld, las veel en wist waarover hij het had. Hij werkte vanuit een revolutionair ideaal: de vestiging van een communistische samenleving waarbij de gemeenteraad, waarin hij zitting had genomen, omgevormd zou worden tot een sowjet. Dit idee heeft hij nooit losgelaten.

Hij zag zich als vertegenwoordiger van de revolutionaire arbeidersklasse die mandaat had van zijn achterban. En het moet gezegd, hij had aanhang. Als Eppo Orsel in de gemeenteraad sprak, zat de publieke tribune vol. En niet slechts omdat bij hem vuurwerk te verwachten was. Hij zette zich met volle overtuiging voor zijn ideaal en zijn achterban in. Dit, mede veroorzaakt door zijn manier van optreden, bracht hem in een voortdurend
conflict met de andere leden van de gemeenteraad.

De Revolutie

De verkiezingen van 1931 luidden voorde CPN een periode van expansie in.
Oude Pekela kende sinds 1928 een afdeling van de CPN. Groningen, Winschoten,
Finsterwolde en Sappemeer hadden een groeiende aanhang. In de jaren die volgden
zouden in de regio meerdere afdelingen van de Partij opgericht worden.

De situatie van een groot deel van de arbeiders was slecht en er was geen zicht op
verbetering. In die omstandigheden was het bestaan van de Sowjet-Unie een teken
van hoop. Het kon anders, een beter leven was mogelijk en de Sowjet-Unie was
daarvan het bewijs. Daar was geen werkloosheid meer, geen honger.

In het land waar het socialisme zegevierde, werd gezorgd voor goede woningen, scholen en menselijke werkomstandigheden. Nu, 60 jaar later, zien we terug en weten dat de werkelijkheid anders was dan de arbeiders hier meenden. Maar het was hun oprechte hoop, en het gaf de mensen een toekomstverwachting. Zo ook Eppo Orsel.
Bij het begin van zijn optreden in de raad van Oude Pekela, tijdens de verkiezing van de wethouders, maakte hij duidelijk waar hij voor stond:

‘Wij revolutionnairen (…) zien in de gemeente een orgaan van den Burgerlijken Staat en niets anders dan een generaal-comité van de bourgeoisie. De wethouderszetels behooren niet langer in de handen te zijn van de sociaal-democraten.

Wij eischen een wethouderszetel. Het proletariaat begint te voelen, dat de sociaaldemocraten de hielenlikkers zijn van de kapitalisten.
De sociaal-democraten hebben op de werkloozen laten hameren en zij geven hun lood in plaats van brood. Hieraan zal en moet een einde komen. Wij nemen geen verantwoordelijkheid op ons voor de burgerlijke maatschappij’.

Individuele Belangen

Eppo Orsel zag er niet tegen op om voor de individuele belangen van ‘zijn mensen’
in de raad op te komen, alhoewel in de meeste gevallen de voorzitter weigerde om
de zaak in behandeling te nemen.
In de raadsvergadering van 25 september 1931 stelde hij de situatie van het gezin
Draayer aan de orde. Deze woonde in een ‘allerellendigst hok’ en Orsel stelde voor
om hem een goede woning te verschaffen tegen een huur, overeenkomend met 1/10
gedeelte van zijn inkomen. Daar Draayer werkloos was, betekende dit een lage huur.
B en W stelde voor om het een en ander voor kennisgeving aan te nemen, daar de gemeente geen woning beschikbaar had. Daar nam Eppo geen genoegen mee.

Hij verweet de sociaal-democraten dat zij hun plichten als arbeidersvertegenwoordigers verzaakten omdat zij op de hoogte waren van de treurige toestand van Draayer.
Orsel stelde voor om voor Draayer een woning te bouwen als er geen voorhanden was en tot de woning gereed was het gezin in een noodwoning te huisvesten.
De raad voelde niet veel voor dit idee hetgeen Orsel deed opmerken:

‘Waar het kapitalisme wel bestaat, daar ziet men: opstapeling van het bezit van het
kapitalisme en bittere armoede voor de arbeidersklasse. Wij hebben besloten Draayer een woning te verschaffen. Doen jullie het niet, dan zullen wij ervoor zorgen.
Wij zullen niet eerder rusten voor we jullie uit de paleizen hebben gejaagd  en Draayer er in gebracht………’ Dit deed de heer Stuut vragen of Draayer niet naar Rusland kon.
Waarop Orsel ernstig meende dat dit niet kon: Draayer had hier zijn werk.

gemeentehuis
Gemeentehuis Oude Pekela in de jaren dertig.

Dit in de raad brengen van individuele knellende situaties heeft Eppo Orsel tijdens
zijn gehele raadsperiode gedaan. Meestal zonder succes, maar hij bereikte wel dat
over vaak beroerde omstandigheden uitvoerig gesproken werd.
Dit opkomen voor het individu kwam voort uit zijn persoonlijke betrokkenheid met hen die zich aan de onderkant van de samenleving bevonden.
Dit kwam heel sterk aan de orde tijdens de raadszitting van 10 november 1934,
waarin de gemeentebegroting van 1935 werd behandeld.

Enkele dagen daarvoor had een 49-jarige timmerman zich van het leven beroofd.
Hij was reeds een halfjaar werkloos. Een verzoek om tot de werkverschaffing te
worden toegelaten werd niet gehonoreerd en een toegezegde baan bij de fa. Knigge
te Stadskanaal ging ook niet door. Dit was de man te veel geworden.
Eppo Orsel trok zich deze gebeurtenis aan. Tijdens de begrotingsbehandeling bracht hij naar voren dat er een werkloze was, die uit wanhoop zelfmoord had gepleegd en dat er een dakloos gezin was dat niets bezat maar als een hond de straat was opgejaagd.
Burgemeester Snater verklaarde dat dit niets met de begroting te maken had.
Hij kon wel tot middernacht naar die kletspraat luisteren en ontnam Orsel het woord.
Bij de post ‘salaris burgemeester’ stelde Orsel voor om deze post niet uit te trekken
omdat de burgemeester de mensen liet hongeren en het gemeentehuis uit joeg.
De burgemeester stelde dat het gemeentehuis geen tehuis voor daklozen was,
waarop Eppo Orsel riep dat het de bedoeling was hem te laten hongeren die een
ander laat hongeren.

Orsel en de burgemeester

De verhouding tussen Orsel en de andere leden van de raad was op zijn minst
problematisch, maar tussen hem en de voorzitter van de raad was het echt mis.
Het optreden van Orsel binnen en buiten de raad irriteerde burgemeester Snater
mateloos. Op elk punt had Eppo Orsel wel iets op te merken en daarbij was hij vaak
zeer uitvoerig aan het woord, waardoor de raadsvergadering de neiging had om
naar de kleine uurtjes te schuiven.
Tijdens de raadsvergadering van 22 september 1932 kwam het tot een uitbarsting
tussen raadslid Orsel en burgemeester Snater.
Oude Pekela had een bijzonder onrustige tijd achter de rug met stakingen in de werkverschaffing, politieke meetings en demonstraties waarbij de politie charges
uitvoerde. Daarbij speelde Eppo Orsel een stuwende rol.
Tijdens de lange vergadering nam Orsel uitvoerig het woord over de situatie in de
60 werkverschaffing. Daarbij ondernam hij een felle aanval op de sociaal-democraten
opdat de arbeiders zouden leren wat zij aan dezen hadden. De burgemeester hamerde
Eppo verschillende keren af, maar het hielp niet, Orsel bleef aan het woord. Daarop
stelde de voorzitter van de raad voor om de heer Orsel te schorsen voor twee
vergaderingen. Terwijl Orsel zijn redevoering voortzette werd gestemd over het
voorstel, hetgeen werd aangenomen. De burgemeester verzocht Orsel vervolgens
de raad te verlaten, waarop Eppo opmerkte dat hij nog veel meer te vertellen had.
Er bleef voor burgemeester Snater niet veel meer over dan het raadslid door de
politie de zaal uit te laten zetten.
Dat gebeurde dan ook. Eppo verliet onder begeleiding de vergadering terwijl zijn
aanhang de roep ‘Rood Front!’ inzette.
Overigens zat de burgemeester fout. In de volgende raadsvergadering moest hij de
schorsing ongedaan maken. Hij had de daartoe vereiste procedure niet in acht genomen.

Het is in deze woelige periode, de jaren ’ 32-’ 34, dat de gebeurtenissen plaatsvonden
waarover nu nog, als een soort legende, in Oude Pekela gesproken wordt.
Naar aanleiding van acties rond de stakingen in de werkverschaffing en de onrust
daaromheen, was een demonstratie- en spreekverbod uitgevaardigd in de gemeente
Oude Pekela. Maar Eppo had nog voor niemand zijn mond gehouden en deed het
ook nu niet. Toen de plaatsélijke veldwachter hem wilde arresteren omdat hij een
groep demonstranten toesprak, bleek dat niet te kunnen, omdat hij zijn rede vanuit
een (particuliere) tuin hield. Een ander moment werd een oude praam van een boer
gepakt en liet men Eppo daarmee het diep bevaren, terwijl hij zijn toespraak hield.

werklozen
Oude Pekela 1933. Er wordt een nieuwe weg en sportterrein aangelegd door werklozen.
sportveld
Oude Pekela. Aanleg sportveld.

Dit kon, want het Pekelder Hoofddiep was rijks water. Een verhaal dat nog met genoegen wordt verteld is de toespraak die hij van bovenuit een boom hield, terwijl de veldwachter onder de boom riep dat hij er uit moest komen.
Toch ontsprong Eppo de dans niet. In juli 1934 werd hij wegens herhaaldelijke overtredingen van de politieverordening voor acht dagen in hechtenis genomen.

De voorzitter van de raad hield Orsel meer en meer kort, en Eppo moest steeds meer
ervaren dat de burgemeester hem het woord niet gaf of weigerde een vraag in
behandeling te nemen. Zo weigerde de voorzitter op 19 december 1932 een vraag over verbod van een demonstratie in behandeling te nemen. Vragen over de behandeling van
arbeiders binnen de werkverschaffing kwamen niet op de agenda. Dit was een
terugkerend patroon. Elk voorstel dat Orsel, en na 1935 het tweede communistisch raadslid Baas, op de agenda plaatste werd afgestemd. Soms kreeg hij steun van enkele
sociaal-democratische raadsleden, met name van Hummel, maar dat was niet
voldoende om een voorstel aangenomen te krijgen.
Het college van B en W stelde zich meestal zeer formeel op en motiveerde de
afwijzing van de voorstellen-Orsel op aanwijzingen van de regering, in de sfeer
van: het college wil wel, maar Gedeputeerde Staten of de Minister…

Dit plaatste Eppo Orsel in een geïsoleerde positie binnen de raad.
De positie van communisten was moeilijk in die tijd.

Samenwerking met sociaaldemocraten was bijna onmogelijk.
Nu lag dat niet geheel aan de sociaal-democraten:

zij werden door communisten bij voorkeur als sociaal-fascisten aangeduid en werden gezien als handlangers van de bourgeoisie. Communisten hadden te maken met de warme belangstelling van de politie, verbod van demonstratie, zaalafdrijving, huiszoekingen en allerlei kleine pesterijtjes en intimidaties.
De kracht van Eppo Orsel lag niet slechts in het raadswerk, maar vooral in de combinatie van acties binnen én buiten de gemeenteraad. Zijn inzet voor de arbeiders binnen de werkverschaffing ging zover, dat hij zijn werk opgaf om met hen samen te kunnen werken:

‘Wij hadden strijd in de werkverschaffing. Toen was hij (Orsel) nog op de fabriek.
En toen kwamen wij met klachten bij ons gemeenteraadslid, al die mensen.
Toen zei hij: “Jongens, ik ken jullie omstandigheden niet, want ik zit op de fabriek.
Maar weetje wat? Ik neem ontslag en ik ga met jullie in de werkverschaffing.
Dan kan  ik jullie situatie eens bekijken, hoe of wat.
” Zo was dat. En die ging met ons naar de werkverschaffing. Die gooide zijn broodje weg en ging met ons naar de werkverschaffing. “

Vanuit die positie, zelf werkend binnen de werkverschaffing, gaf Orsel leiding aan acties en wist hij toch het een en ander aan verbeteringen los te krijgen.

Volksfront

Rond 1936 veranderde de CPN van koers. Men onderkende het groeiend fascistisch gevaar en besloot samenwerking te zoeken met sociaal-democraten en burgerlijke groeperingen met de bedoeling om tot een anti-fascistisch front te komen.
Ook Eppo ging met deze politieke wijziging mee. Dat leverde het wonderbaarlijk tafereel op van een Orsel die waarderende woorden had voor zijn sociaaldemocratische
tegenstanders en zelfs voor het Bijzonder Onderwijs. In de raadsvergadering van 4 november besloot hij het debat zelfs met een beminnelijk woord!

Eppo was echter niet de man voor een rollenspel. In de raadsvergadering van 19 december 1936 maakte hij nog een keer duidelijk waar hij stond.
Aan de orde was de vergoeding voor Bijzondere scholen. Doorgaans was hij principieel tegen elke financiële ondersteuning van het bijzonder onderwijs. Hij wenst niet mee te werken aan de verspreiding van opium, zoals hij eens zei. Maar nu reageerde hij nauwelijks. Tot hij toch nog het woord vroeg. De voorzitter verklaarde dat hij verwonderd was dat Orsel niet eerder reageerde maar gaf hem het woord.

Orsel verklaarde: ‘Er zijn nu nieuwe problemen gekomen. Het moet nu gaan tegen het fascisme en het is nodig alle democratische volksgroepen tegen dat fascisme te mobiliseren. Want komt het fascisme aan de macht, dan zal het hier zowel de christelijke als de moderne arbeidersbeweging vernietigen. De Communistische Partij heeft zich altijd schrap gezet tegen de onderwijspacificatie en tegen het geloof. De communisten hebben over die dingen nog steeds dezelfde opvattingen. Maar belangrijker is dat andere, dat uit de nood van de omstandigheden is opgekomen: de massale strijd tegen het fascisme, opdat de arbeiders hun vrijheid behouden!’
De heer Stuut constateerde dat de heer Orsel zijn principes niet camoufleerde.
De heer Orsel: ‘Dat heb ik nooit gedaan!’

Dit was één der laatste raadsvergaderingen die Eppo Orsel bij woonde. Op 13 april
1937 werd hij opgevolgd door partijgenoot Schrik. Vanaf dat moment werd het in
de gemeenteraad van Oude Pekela heel wat rustiger.

Eppo verliet de gemeenteraad om privé-redenen. Hem was bij de fabriek waar hij
toen werkte een woning aangeboden, die hij vrij van huur kon betrekken. Onder één
voorwaarde: hij moest breken met de CPN. Dat was voor Eppo teveel gevraagd.
Hij weigerde het aanbod. Vervolgens kreeg hij zijn ontslag en raakte werkloos. Dit
gaf problemen binnen zijn gezin, dat toch al zoveel voor de goede zaak had moeten
laten. De familie vertrok naar Rotterdam waar Orsel werk kon vinden.

reuzenkrentebrood
Van links naar rechts Nanko Bos, Herman van der Laan, Hendrik Vosdingh,
Eppo Orsel, Arie de Keijzer, Marinus Drent en Willem Kuiper.
Ter gelegenheid van de geboorte van zijn zoon werd Eppo dit reuzenkrentebrood aangeboden.
Op dit brood staat: ‘Ter eere van de jonge bolsjewist’.

Eppo bleef zichzelf trouw. Na het begin van de oorlog, waar hij het bombardement op Rotterdam meemaakte, raakte hij in illegale activiteiten verwikkeld.
De mensen, met wie hij contact had, werden gearresteerd en Eppo vond het beter om te verdwijnen. Zo keerde hij in 1942 terug naar Oude Pekela, waar hij huisvesting vond in een praam in het Pekelder Diep.

27 maart 1945, enkele weken voor de bevrijding, is hij op tragische wijze gestorven.
Rond de dertiende maart bracht hij met zijn zoon Rieks een schuit met stro naar Ceres.
In de sluis viel Eppo overboord, maar koppig als hij was werkte hij in zijn natte plunje door. Thuisgekomen werd hij ziek. Zijn val overboord had hem een dubbele longontsteking opgeleverd. Het was aan het eind van de oorlog, medicijnen waren er niet en hoewel dokter Boswijk deed wat hij kon, was Eppo niet te redden.
Zo kwam, op 43-jarige leeftijd, een eind aan het leven van een man die door een tijdgenoot werd gekenschetst als een wilde, woeste man met een groot hart.

Feicke Alles Clocq

Feicke Alles Clocq, vervener te Oude Pekela, werd (vermoedelijk) eind 1604 geboren
en op 1 jan. 1605 te Leeuwarden gedoopt als tweede zoon uit het huwelijk van
Alle Feijckes en Talke Pieters Clock. Hij trad op 19 jan. 1623 te Heerenveen in het huwelijk met Tieets Boelesdr. uit die plaats.
Uit hun huwelijk werden zeven kinderen geboren: Tallichjen, Alle, Janneke, Joannes,

Peter en twee onbekenden (volgorde niet bekend). Vanaf 1629 trad Clocq op als vervener in de venen te Oude Pekela. Van 1630-1635 en in 1644 kwam hij tevens voor als officier in het leger. Feicke Alles Clocq overleed in het najaar van 1653, op ca. 49-jarige leeftijd.

Feicke Alles Clocq is een naam die te Oude Pekela hoog wordt gehouden.
Immers, volgens de beweringen van meerdere auteurs, wordt Clocq beschouwd als de stichter van Oude Pekela. Zo zou hij degene zijn geweest die in 1599, tezamen met een aantal compagnons, van enkele Winschoter eigenerfden een uitgestrekt stuk veengrond had gekocht aan het riviertje de Pekel A en vervolgens leiding had gegeven aan de verveningswerkzaamheden ter plaatse.

Uit uitgebreid bronnenonderzoek is echter gebleken dat Clocq onmogelijk de stichter van Oude Pekela kan zijn geweest. Clocq’s optreden in de veenkolonie beperkt zich tot de jaren, gelegen tussen 1628 en 1654, Hij komt daarin naar voren als een intelligent, doortastend man, die evenwel als gevolg van door de stad Groningen, inzake de verkrijging van de venen, op twijfelachtige gronden tegen hem gevoerde processen, in het najaar van 1653 als een geknakt man is overleden.

Feicke Alles Clocq is ongetwijfeld een groot vervener geweest, aan wie Pekela veel heeft te danken, maar de historische plaats die hem toekomt, is een heel andere dan die hem wordt toegeschreven.
Feicke Alles Clocq was de tweede zoon uit het huwelijk van Alle Feickes en Talke Pieters Clock, die op 15 okt. 1603 te Leeuwarden in het huwelijk waren getreden.
Alle Feickes, geboren te Beetsterzwaag en zoon van Feicke Fockes, overleed vóór 1609.
Zijn echtgenote Talke Pieters Clock was geboren te Leeuwarden en was een dochter van
Pieter Jansen Clock en Ees Cornelis. Zowel de ouders als de grootouders, van moederszijde, van Feicke Alles Clocq woonden in het begin van de 17e eeuw te Leeuwarden resp. Sneek en oefenden daar het beroep uit van ‘byersteecker’.

Pieter Jansen Clock werd in 1588 ingeschreven in het Burgerboek van Leeuwarden, daarbij afkomstig van Beetsterzwaag. Hij woonde tot zijn dood (vermoedelijk in 1614)161 te Leeuwarden. Zijn echtgenote Ees Cornelis leefde nog in 1633.
Hoewel Pieter Jansen Clock en Ees Cornelis steeds ‘burgers’ van Leeuwarden worden genoemd, komen we hun namen reeds begin 1600 enkele malen tegen in transacties betreffende de verkoop van venen in de Pekel. Nauwelijks 2 maanden nadat de zg. ‘Friese Compagnie’ was opgericht (21 juni 1599), kwamen zij in het bezit van 1/16 deel van de Pekelvenen. In 1601 maakte Pieter Jansen Clock deel uit van de hiervoor genoemde ‘Friese Compagnie’. Ook zijn schoonzoon Alle Feickes begon in 1600 gestadig aan met de aankoop van akkers veen in de Pekel. Lang heeft het huwelijk tussen Alle Feickes en Talke Pieters Clock niet mogen duren. Al in 1609 hertrouwde Talke met Adriaen Engels van der Chijs, een brouwer uit Delft, uit welk huwelijk een dochter Engeltijn werd geboren. Ook dit huwelijk heeft niet lang mogen duren; Talke overleed vóór aug. 1615.

Hoe het verder is gegaan met de opvoeding van Feicke Alles Clocq en zijn broers
Jan en Cornelis, wordt door de archieven niet vermeld.
Mogelijk zijn zij opgegroeid bij hun grootmoeder, Ees Cornelis, te Leeuwarden.
De eerste maal dat Feicke Alles Clocq in zaken, betreffende de Pekelvenen,

wordt vermeld is op 8 okt. 1629, wanneer hij ‘de helfte van veerackeren landes,
up Suiderveen gelegen’ koopt.
In de jaren daarop volgen de aankopen van venen elkaar snel op.

Reeds in 1628 woonde Clocq ‘in de gebuijrte bij de Peeckelfenen …’, in de jaren daarop houdt hij eveneens woonplaats te Leeuwarden, Westerwolde en Blijham.

Op 22 okt. 1635 verkoopt Clocq, die inmiddels door aankoop en vererving in het bezit was gekomen van een groot gedeelte van de Pekelvenen, aan Johan de Mepsche, rentmeester der stad Groningen, drievierde van 58 lotten in 101 lotten van de Pekelvenen, ‘gelegen boven en beneden de verlaten, gedeeld en ongedeeld, zowel in Westerwoldingerland en in de Oldambten’, voor 30.000 Car. gl.
In dit contract werd als voorwaarde opgenomen dat de verkopers de verkochte drievierde delen, alsmede het in eigendom behouden eenvierde deel, dienden te voorzien van ‘verlaten, gruppen, wijcken, tillen ende gravinge des dieps’ zonder dat daar een vergoeding van de Stad tegenover zou staan. Verder werd de verkopers toegestaan gedurende tien jaren, op eigen kosten, de venen af te graven, te verkopen en te vervoeren, mits zij gedurende deze periode aan de rentmeester huur zouden betalen. Tevens werd er, op dezelfde dag, een aparte akte opgemaakt met aanvullende voorwaarden, welke buiten het contract werd gehouden. Het zijn deze aanvullende voorwaarden, waarin de Stad zich o.a. verbindt met de ingezetenen van Winschoten een regeling te treffen over het graven van een nieuw diep vanuit de Pekelvenen tot een nieuw te leggen verlaat bij Winschoterzijl, die enkele jaren later aanleiding zouden geven voor allerlei misverstanden, beschuldigingen en processen. Dit nieuwe diep was nodig teneinde Clocq in staat te stellen de door hem gegraven turf af te kunnen voeren, (’s meede tot verbeteringe der veenen ende bequamer uutvoer van torff bewilliget ende aengenoomen d’ingeseetenen van Winschooten ende andere, soo veel doenlijck te disponeren, dat bij deselve buiten deeser stadtskosten, ankomstige somer het diep beneeden de veenen tot de nije sijl opgegraven ende sulcx onderholden worden, dat daerdoor de geladene schuiten bequamelijck op ende qff varen kon[d]en’).
Met de van de Stad ontvangen koopsom werden door Clocq nieuwe veenakkers gekocht.

Over de beweegredenen van Clocq om zijn venen in 1635 van de hand te doen hanteren meerdere auteurs de mening dat Clocq hiertoe uit geldgebrek was gedwongen. Het bewijs van deze stelling is echter nimmer aangetoond. Ik acht het zeer wel mogelijk dat Clocq zijn venen om een geheel ander, economisch motief aan de Stad heeft verkocht. Immers, de voorwaarden waarop de transactie plaatsvond hielden weliswaar in dat Clocq zijn venen had verkocht, maar dat hij op basis van de ontstane rechtsverhouding gedurende tien jaren feitelijk eigenaar bleef. Zo mocht hij gedurende deze jaren zijn venen afgraven, verkopen en vervoeren. Het moet dan ook niet uitgesloten
worden geacht dat Clocq plannen heeft gehad gedurende deze Jaren zijn venen te gelde te maken. Deze opvatting wordt versterkt, wanneer we daarbij in aanmerking nemen dat Clocq, onmiddellijk na de bewuste transactie, gestaag doorgaat met de aankoop van venen. De tegenslagen die hem enkele jaren later parten zouden spelen kon hij in 1635 nog niet overzien en had hij niet in de hand.
Dat was een zaak tussen de Stad en de Winschoters.

aanplakbiljet

Ondertussen werd er in de Pekel hard gewerkt. Onder leiding van Clocq werden de ontginningswerkzaamheden voortvarend en op een kundige wijze aangepakt. Aangezien Clocq de eerste vier a vijf jaren naar verwachting grote kosten moest maken bij de ‘bereiding’ van de door hem aan te kopen venen, kwam hij op 3 mei 1637 met de Stad een
financiële regeling overeen, in die zin dat hij een jaar nadat de koopsom was betaald, een rente aan de Stad zou betalen van 6% en wel gedurende 15 jaren. Voorts werd hem toegestaan de afgegraven venen te verhuren en hiertoe gedrukte biljetten alom aan te plakken. In hetzelfde jaar werd, eveneens onder zijn leiding, de Pekel A meer bevaarbaar gemaakt en werd het diep richting Winschoterzijl gegraven.
De aanwas van de bevolking groeide gestaag, zodat Clocq zich in 1637 tot de bestuurders van de stad Groningen richtte met het verzoek ’ tot stichting van de inwoners een predikant te benoemen’, welk verzoek een jaar later werd ingewilligd.
Aangezien Clocq tijdens de uitvoering van zijn waterstaatkundige werken werd getroffen door tegenslagen en extra kosten moest maken, zag hij zich genoodzaakt uitstel van betaling te vragen voor huur van de hem op 22 oct. 1635 door de Stad in gebruik gegeven venen. Mede naar aanleiding van de opstelling van de Winschoters, die bij de Stad bezwaar maakten tegen het verbreden en verdiepen van de Rensel en de Pekela A, stagneerden de werkzaamheden van Clocq. Zijn schulden liepen op en weldra was hij niet meer in staat de door hem verschuldigde renten op tijd aan de Stad te voldoen.

In febr. 1640 beginnen de problemen voor Clocq pas echt. De Stad wil haar geld zien maar Clocq is nog steeds niet bij machte zijn schulden te voldoen. Clocq komt met een voorstel teneinde uit de problemen te komen, echter de Stad gaat hiermee niet akkoord en komt met een tegen voorstel. Een jaar later is men er nog niet uit, reden voor de Stad om Clocq de duimschroeven nog verder aan te draaien door hem te dagvaarden voor Burgemeesteren ende Raedt van Groningen. Clocq is echter ingezetene van Westerwolde en beweert niet onderworpen te zijn aan de jurisdictie van de Stad. Wil de Stad hem dagvaarden, dan zal zij dat moeten doen voor het gerecht van Westerwolde, aangezien zij, bij het sluiten van de overeenkomst in 1635, is opgetreden als een gewoon particulier persoon en de venen aan de Westerwoldse kant van de Pekel A lagen. Clocq laat het er niet bij zitten en gaat nu zelfs zover door te beweren ‘… dat die heeren van ’t gericht voor desen als aetsgecommitteerden over sijn saecken hadden geseeten en daerom hierover niet conden rechter ivesen …’’. Verder beschuldigt hij de Stad van buitensporige benadeling (laesio enormissima) en stelt voor de transactie van 1635 weer ongedaan te maken, tenzij de Stad bereid is de toenmalige koopprijs aan te vullen.

koopcontract

De Stad wijst dit aanbod resoluut af en eist van Clocq intrekking van de door
hem geopperde beschuldiging. Clocq richt zich zelfs tot de Prins van Oranje,

Stadhouder van Groningen en Ommelanden, en legt hem het probleem van de vermeende, onjuiste rechtsgang voor. De prins laat echter weten zich niet met deze
zaak te willen bemoeien, waarna de zaak nog verder in het slop komt. In maart 1642 wordt Clocq verzocht te verschijnen voor de Hoofdmannenkamer, een door de Stad samengesteld rechtscollege, om tekst en uitleg te geven voor zijn achterstallige landhuren en verschuldigde renten. Clocq verweert zich door te melden dat de Stad hem, in het contract van 22 okt. 1635 een open diep had beloofd, zodat hij zijn venen kon afvoeren, doch dat daaraan niet was voldaan, tengevolge waarvan het nieuw gegraven diep weer was dichtgeslibd waardoor de uitvoer van turf was belet en hij grote schade had geleden. Verder zouden de door Clocq in 1635 aan de Stad verkochte venen, bij nader inzien wel 100 a 200 duizend gulden waard zijn geweest. Teneinde de zaak niet in een impasse te laten geraken stelt Clocq opnieuw voor, vanwege zijn ‘swaar huisgezinne’ en ‘om ’t overige van. sijn leven in vrede ende ruste te eindigen’ de overgedragen venen, met verrekening van kosten en renten, terug te kopen. Dit voorstel van Clocq wordt echter door de Hoofdmannenkamer afgewezen.

Op zeker moment is ook de Stad bereid tot een oplossing te komen en
stelt voor haar drievierde deel weer aan Clocq te verkopen.
Het is hier echter bij een voorstel gebleven. Partijen zijn niet tot een akkoord
gekomen, waarna het proces in 1643 werd voortgezet. Rentmeester De
Mepsche verwijt Clocq dat de door hem verkochte venen slechts een
waarde hadden van ƒ 18.400.-. Verder zou Clocq deze venen nog
nimmer aan de toenmalige eigenaars hebben betaald en ze voor ƒ30.000.-
’door bedrog’ aan de Stad hebben verkocht. De Mepsche beschuldigt Clocq
… zijnde in een oogenblik, door de stadskas, van een tapper van bieren en vercoper van heuckerij waren in een rijk man veranderd.
Met ander woorden: Clocq is dus geen eigenaar geworden, de gronden behoren nog aan de vroegere eigenaars en zijn bovendien ongescheiden ’
… zodat Clocq’s heerschappij niet wordt ontleend aan de gehele Pekel of diens erfdeel, doch uitsluitend is te danken aan de stadskas, wat hem al te dartel heeft gemaakt, daar hij de Stad nu de horens in de zij zet en in zijn geschriften uitmaakt voor falsarien. Wat verder de uitgaven en verbetering van de venen betreft, waarvoor Clocq ƒ 25.000.– heeft ontvangen, dit is onwaarachtig en vals opgesteld. Voor enige honderden guldens zou het nog een schijn van waarheid hebben gehad, doch duizenden is te gek. Conclusie: Clocq heeft de Stad schandelijk bedrogen’.

Opnieuw komt Clocq met een voorstel. Hij stelt nogmaals voor de door hem in 1635 voor ƒ 30.000.– aan de Stad verkochte venen voor ƒ80.000.– terug te kopen, al is hij wel van mening dat de ’prijsersmannen’ die destijds de waarde van de venen hebben vastgesteld ‘merendeels partijdich ende deze saecken onervaren’ waren. Zijn hernieuwde pogingen blijven echter ook dit keer zonder resultaat. Tenslotte doet de Hoofdmannenkamer in 1646 eindelijk uitspraak in deze ingewikkelde materie, die zich jarenlang heeft gekenmerkt door verdachtmakingen en vertragingen. Clocq wordt veroordeeld en dient
met de Stad een regeling te treffen. Op uitdrukkelijk verzoek van Clocq
stelt de Stad zich soepel op, al wordt er een nieuw contract opgemaakt
waarin wordt bepaald dat Clocq, ter betaling van alle verschuldigde
gelden zijn resterende vierde deel in de 58 lotten én de later door hem
aangekochte 11 1/4 lotten, aan de Stad dient af te staan.

Kennelijk ongehinderd door het geleden verlies gaat Clocq onverminderd voort met de ontginningswerkzaamheden. Uit de regelmatige contacten tussen Clocq en de Stad mag worden afgeleid dat de verhoudingen goed, doch koel en zakelijk zijn. Op 17 apr. 1649 wordt Clocq aangesteld als aannemer van het verdiepen van de Pekel A, vanaf het tweede verlaat tot aan het onverdeelde veen aan de zuidzijde, een werk, waarvoor hij van de Stad ƒ 15.000.- ontvangt. Het werk zit Clocq ook nu niet mee – hij ondervindt
regelmatig tegenwerking van zijn participanten – zodat de Stad enkele
malen dreigt hem de werkzaamheden te ontnemen.

Op 23 jan. 1649 had Clocq opnieuw 12 lotten veen van de Stad gekocht.
Wanneer op 1 nov. 1652 echter blijkt dat hij, ondanks enkele malen verleend uitstel,

nog steeds niet aan zijn verplichting heeft voldaan de verschuldigde gelden te betalen, beslist de Stad hem gerechtelijk aan te spreken en begint de ellende voor Clocq opnieuw.
Wat de reden voor Clocq is geweest om nu, in tegenstelling tot enkele jaren geleden, niet te gaan procederen, wordt door de archieven niet vermeld. Feit is dat hij de Stad onmiddellijk voorstelt al zijn bezittingen in de Pekel, na taxatie of uit de hand, te willen verkopen om daaruit de Stad ten volle te kunnen betalen.

Clocq heeft de afwikkeling van deze zaak niet meer mogen meemaken.
In het najaar van 1653 is hij overleden. Twee jaar later, in 1655,
verklaart zijn achtergebleven weduwe dat zij alles wil afstaan, mits aan
haar ‘enige penningen worden gelaten tot onderhoud van haar en
haar kinderen. Uiteindelijk vindt op 24 juli 1656 de executoriale verkoop plaats van de venen en nalatenschap van Feicke Alles Clocq, waarmee een einde komt aan een enerverende periode in de ontstaansgeschiedenis van onze oudste veenkolonie.

Zijn echtgenote Tieets Boelesdr. overleed omstreeks 1666.
De gemeenteraad van de op 1 jan. 1990 nieuw gevormde gemeente
Pekela heeft de herinnering aan Clocq levendig gehouden door in het nieuwe gemeentewapen een afbeelding van een klok op te nemen.
Reeds eerder, al vóór de herindeling, werden een straat, een school en
een bejaardencentrum in de Pekela’s naar hem vernoemd.

Bron:

clock-cover
clock-cover-info


Link: https://nl.wikipedia.org/wiki/Feike_Alles_Clock


De Zwagers

Georg Petzinger (Oude Pekela, 2 september 1916 – aldaar, 11 december 2009)
was een Pekelder entertainer.

Petzinger was een zoon van de timmerman Georg Petzinger en Antje de Raaf.
Hij was gehuwd met Antje Kuiper, dochter van de landarbeider Geert Kuiper
en Anna Veen uit Oude Pekela.

Petzinger was een bekende verschijning in Oude Pekela.
Hij vormde van 1946-1953, samen met zijn zwager Jan Pieter van der Laan (1920-1989) het duo De Zwagers en bracht een langspeelplaat uit onder deze titel.

De Zwagers traden regelmatig op voor de RON (voorloper van Radio Noord) en in toneelstukken in Oost-Groningen. Zij brachten talloze keren o.a. het lied de Kiepkerel, in 1949 geschreven door burgemeester Harmannus Scholtens van Oude Pekela, ten gehore. Andere liedjes: Pekelder Wichter, Ik ben Jan, Het leven op de boerderij,
Tante Mina, Koetje boe en Jan zien swientje. Aan Petzinger viel de eer te beurt om het door kunstenaar Hans Mes ontworpen bronzen beeld De Kiepkerel op het gazon voor het gemeentehuis in Oude Pekela te onthullen.

de zwagers bij het beeld in pekela
de zwagers bij het beeld in pekela

Samen met zijn zwager Jan van der Laan (1921-1989) had Petzinger succes met de nummers ‘De Pekelder Wichter’ en ‘De Kiep’n kerel’. Dit laatste nummer bracht Petzinger voor het eerst in 1949 tijdens het OPA-feest in Oude Pekela t.g.v. het 350-jarig bestaan van het dorp.

In 1949 schreef de toenmalige burgemeester van Oude Pekela, Herman Scholtens, het lied De kiepkerel ter gelegenheid van het 350-jarig bestaan van de veenkolonie. Ter gelegenheid van die verjaardag werd de OPA-revue opgevoerd. In het winkelpand van Gezinus Mulder (aan het Pekelderdiep) schijnt de burgemeester zijn inspiratie voor het lied te hebben opgedaan.

George Petzinger (Oude Pekela, 2 september 1916) werd vooral bekend als zanger van dat lied. De kiepkerel werd enkele jaren na de opvoering van de OPA-Revue bij de toenmalige Regionale Omroep Noord (RON) opgenomen.

Met zijn zwager Jan van der Laan vormde Petzinger het duo De Zwagers. Het tweetal bracht De kiepkerel uit op een langspeelplaat.

De kiepkerel werd later nog eens opgenomen door de groep Daipswale
en Udo Oosterhuis.

George Petzinger overleed op 11 december 2009.

Op het Raadhuisplein in Oude Pekela staat sinds 1986 een beeld van de Kiepkerel gemaakt door beeldhouwer Hans Mes.

Video’s:

De Zwagers met …….. Pekelder Wichter

George Petzinger – De Kiep’n Kerel

De Zwagers – Ik ben Jan

De Zwagers -1980 – Lp.

Kiepkerels

In de 17e, 18e en 19e eeuw trokken elk voorjaar duizenden Duitsers bij Groningen de grens over om in Nederland te gaan werken. Ze kwamen uit een gebied vlak over de grens (Westfalen, Munsterland en Teutoburgerwoud) dat minder welvarend was dan ons land. Hun motto was: “War in der Heimat bittere Not, in Holland gabts Verdienst und Brot”. Ze werkten als “hannekemaaiers” (grasmaaiers) bij Groninger en Friese boeren of trokken als “kiepkerels” (marskramers) langs de dorpen.

kiepkerel1930
kiepkerel 1930 (Foto: Veenkoloniaal Museum)
kiepkerel Oude-Pekela
Beeld van een kiepkerel in Oude Pekela, vervaardigd door Hans Mes, 1986.
Foto: Marketing Groningen

Kiepkerels werden zo genoemd naar de “kiep” (mars of mand) vol koopwaar die ze op de rug met zich meedroegen. Meestal bestond hun handel uit lapjes, stoffen en kleding die ze ‘s winters thuis hadden vervaardigd of elders op de kop hadden getikt. Daarom werden ze ook wel hozeveling of hozeveelnk genoemd (hozen zijn sokken of kousen, veelnk verwijst naar de streek van herkomst: Westfalen).

Veelzijdig
Velen ontpopten zich als handige handelaren die na verloop van tijd naast stoffen ook allerlei huishoudelijke artikelen, gereedschappen en andere gebruiksvoorwerpen meebrachten, bijvoorbeeld verkregen als ruil voor hun oorspronkelijke koopwaar. Eind negentiende eeuw werd Westfalen welvarender. De trekarbeid werd minder noodzakelijk en door een maatregel van Bismarck zelfs onaantrekkelijk. Vele kiepkerels vestigden zich in Nederland.

Herinneringen aan de kiepkerels
Sommige marskramers was het zo voor de wind gegaan dat ze de basis hadden gelegd voor grote firma’s, zoals bijvoorbeeld Peek & Cloppenburg, C & A Brenninkmeijer. Vroom & Dreesmann, en -tot 1983- Tricotage Schmidt in Wildervank.

In 1949 schreef Herman Scholtens, toen burgemeester van Oude Pekela, ter gelegenheid van het 350-jarig bestaan van Oude Pekela het lied ‘De Kiepkerel’. Het werd gezongen in een revue door de bekende Pekelder George Petzinger. Hij voerde een ‘lapjeskoopman’ uit Westfalen ten tonele die al zingend zijn koopwaar voor de koopsters de revue laat passeren. In 1980 zette Petzinger het lied als een nummer op de plaat De Zwagers.

Bovendien staat er sinds 30 juni 1986 een beeld van de kiepkerel bij het gemeentehuis van Oude Pekela, vervaardigd door de Groninger kunstenaar
Hans Mes. Tot slot houdt het Veenkoloniaal Museum de herinnering aan de kiepkerel levend.

(bron: https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/kiepkerels)

Ro-d-Ys


Ro-d-Ys was in de jaren zestig een Nederlandse beatgroep uit Oude Pekela,
onder leiding van Harry Rijnbergen.

Voordat de band bekend werd onder de naam Ro-d-Ys, maar meestal als RO-D-YS, was de groep al enige jaren actief onder de naam Popular Pipers Boys Band.
Toen ze in 1966 professioneel muzikant werden, werd de naam van de band gewijzigd in Rowdies, maar er bleken al een aantal bands onder die naam op te treden.
De uiteindelijke naam werd Ro-d-Ys (vaak gespeld als RO-D-YS, soms Ro-d-ys of
ro-d-ys). Ze werden ontdekt door Wim Zomer, die op de toneelschool in Arnhem zat en uit Winschoten afkomstig was. Zomer weekte de band los van hun toenmalige manager Dommering, die hotel-, schouwburg- en bioscoopeigenaar was en hen voornamelijk zag als geschikte begeleidingsband voor zijn zoon George.
Zomer organiseerde popconcerten in Arnhem onder het label Mod agogo en bezorgde de band op die manier hun eerste optredens buiten de regio. Tevens wist hij Hans van Hemert, die voor Phonogram werkte, voor de groep te interesseren.
Van Hemert, die al met Q65, Zen en Groep 1850 werkte, nam de groep onder zijn hoede, en de eerste single You Better Take Care Of Yourself/Wheels, Wheels, Wheels verscheen in december 1966. Opvallend was de nasale zang van Harry Rijnbergen,
in het Engels met een Gronings accent. Band en producer communiceerden vaak
in het Engels, omdat Van Hemert de Groningse tongval niet verstond.

In 1967 volgden een aantal singles die vooral door Radio Veronica werden gedraaid. De groep toerde door Italië en Engeland, en ook in Duitsland en België werden de platen goed verkocht. De eerste LP Just Fancy oogstte goede kritieken. Toen drummer Bennie Groen in het leger moest voor vervulling van zijn dienstplicht kwam Dick Beekman (ex. Cuby + Blizzards) de band versterken. Na zijn ontslag uit het leger kwam Groen echter terug als vaste drummer.

1968 moest het grote jaar worden van Ro-d-Ys. Er stond een conceptalbum op de planning onder de titel Earnest Vocation, dat was gebaseerd op de roman De kleine Johannes van Frederik van Eeden. Producer Van Hemert benaderde Bert Paige, die de orkestratie van de nummers voor zijn rekening nam. Gevolg van deze productiewijze was dat enkel Rijnbergen als bandlid te horen was op de opnamen. Het album dat paste in het psychedelische tijdsbeeld van dat moment werd goed ontvangen, de singles die vanaf het album uitkwamen hadden echter weinig succes. Toen Rijnbergen in september 1968 de band tijdelijk verliet was hun populariteit al sterk aan het afnemen. In dezelfde periode brak de groep met manager Wim Zomer.

Annet Hesterman 1969

Met een nieuwe manager Krijn Torringa trachtte de band (met Harry Rijnbergen)
in 1969 het verloren terrein terug te winnen. Als zangeres werd Annet Hesterman aangetrokken. Zij had een jaar eerder nog een aanbod afgeslagen om zangeres te worden bij Shocking Blue. Echter, de nieuwe single Winter Woman/Looking for Something Better kwam niet verder dan de tipparade. Rijnbergen en Groen verlieten daarop de band, om zich op advies van producer Hans van Hemert aan te sluiten
bij Zen. Na enkele onsuccesvolle singles viel ook deze formatie uit elkaar, in 1970.

Op 27 september 1998 overleed Joop Hulzebos, 52 jaar oud.
Op 15 maart 2003 overleed Berend Groen op 56-jarige leeftijd.

ro-d-ys (2014)

Op 23 september 2006 werd, op initiatief van Stichting Ro-d-Ys,
in Oude Pekela een monument voor de groep onthuld.

In het blad Musicmaker verscheen eind 2006 een uitgebreid artikel over de Ro-d-Ys naar aanleiding van een interview met Wiechert Kenter.

Radio Noord zond op 6 mei 2006 een uur durende documentaire uit over de Ro-d-Ys. Dat gebeurde exact 40 jaar nadat de single “Take her home” de Top 40 van Radio Veronica binnenkwam. In het klankbeeld kwamen onder meer Harry Rijnbergen, Wiechert Kenter, Wim Zomer, Hans van Hemert, Dick Beekman, Willem van Meegen
en Annet Hesterman aan het woord.

Op 29 november 2008 verscheen het boek “Ro-d-ys Any time, een Groninger beatlegende” van Wiebe Klijnstra en Wessel Gernaat. In het boek met 3 cd’s en een dvd staat de hele geschiedenis van de uit Oude Pekela afkomstige groep beschreven.

Bandleden:
Berend (Bennie) Groen – drums (1966 – 1966 / 1967 – 1969)
Harry Rijnbergen – gitaar, zang (1966 – 1969)
Joop Hulzebos – gitaar, toetsinstrumenten (1966 – 1969)
Wiechert Kenter – basgitaar, trompet, vibrafoon  (1966 – 1969)
Dick Beekman – drums (1966-1967)
Richard Derksen – gitaar (1968 – 1968)
Willem van Meegen – drums (1967 – 1967)
Annet Hesterman – Zang (1969 – 1969)

Singles (met hit- of tipnotering):
Take Her Home – 6-5-1967 – #3
Just Fancy – 15-7-1967 – #8
Nothing To Change A Mind – 25-11-1967 – #34
Sleep Sleep Sleep – 27-1-1968 – #40
Anytime – 9-3-1968 (TIP)
Winter Woman – 1-3-1969 (TIP)

Albums:
Just Fancy (1967)
Earnest Vocation (1968)
Best Of The Ro-d-ys (1993)
Take Her Home (1998)

Boek:
Ro-d-ys Anytime – een Groninger beatlegende
Auteurs: Wiebe Klijnstra & Wessel Gernaat
Uitgever: Maura Music Zuidbroek
ISBN 978-90-9020825-1
Extra: Bij het boek zijn drie cd’s geleverd met het complete oeuvre van de groep, alsmede een dvd met enkele zeldzame televisieopnames.

Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Ro-d-Ys

In 1965 op de ULO school in Oude Pekela ontstaat de The Popular Pipers Boys Band. Dit trio, Hulzebos, Groen en Kenter, bestaat circa een jaar tot medio 1966.
Optredens vinden in en rondom Oude Pekela plaats. Het repertoire bestaat uit eigen nummers aangevuld met liedjes van Rolling Stones en Kinks.

Na enige tijd wordt de uit De Spoetniks afkomstige Harry Rijnbergen gevraagd gitarist van de band te worden. In 1966 gaat de groep verder onder de naam The Rowdies. Omdat er al een groep in Nederland bestaat met deze naam, wordt de bandnaam veranderd in: de Ro-d-Ys.

Manager wordt de in Finsterwolde geboren Wim Zomer. Deze studeerde in Arnhem aan de toneelschool en exploiteert de club Mod-a-GoGo. Zomer, die meerdere groepen in die tijd onder zijn hoede heeft (o.a. The Arnhemse The Sound Magics met Herman Brood, die later als The Moans bekendheid krijgen) weet de groep in korte tijd een landelijke bekendheid te geven door een tal van optredens en promotie.

Daarbij weet Harry Rijnbergen als componist en zanger de groep een uniek eigen geluid te geven. Dit trekt de aandacht van platenmaatschappij Phonogram en eind 1966 verschijnt de eerste single “You better take care of yourself”. “Take her home” wordt de tweede single die op 6 mei 1967 de hitparade binnenkomt en daar 11 weken in staat met een derde plaats als hoogste positie.

In juli 1967 komt Just Fancy als derde single uit. Opnieuw een hitnotering. De groep toert in de zomer door Engeland en Italie. In de tussentijd is de groep in de boerderij in Oude Pekela om nieuw materiaal te schrijven.

In september 1967 verschijnt de eerste elpee “Just Fancy”. Alom lovende kritieken. In oktober nemen de Arnhemse Moans het door Rijnbergen gecomponeerde liedje “Flowers ev’rywhere” op in de Phonogram studio. In november 1967 komt dit liedje uit op de eerste single van Moan. In november 1967 verschijnt de single “Nothing to change a mind”. Januari 1968 verschijnt “Sleep, sleep, sleep” op single. Weer een hitnotering. En opnieuw wordt er heel veel opgetreden in heel Nederland.

Terwijl in de boerderij de basis wordt gelegd voor de tweede elpee met behulp van producent Hans van Hemert en arrangeur Bert Paige komt “Anytime” op single uit. In de zomer van 1968 komt “Unforgettable girl” op single uit. Beide nummers halen niet het succes van eerder nummers.

In september 1968 komt het langverwachte tweede album “Earnest vocation” uit. Ook de single “Earnest vocation” komt uit. De plaat wordt nauwelijks verkocht. Een breuk met manager Wim Zomer is het gevolg en de groep treedt vrijwel niet meer op.

In januari 1969 komt “Winter woman” uit. Op deze single zingt opkomend tienersterretje Annet Hesterman mee. Het idee komt van Krijn Torringa, de nieuwe manager en net als Zomer met Groninger roots. Korte tijd later valt de groep uit elkaar en gaan Harry Rijnbergen en Bennie Groen verder in het Amsterdamse Zen.

De groep komt in 1989 voor een eenmalig optreden weer bij elkaar. Op 1 juli 1993 komt The Best of the Ro-d-Ys uit op CD. Op 7 juli 1998 komt de CD “Take her home” uit. Opnieuw een compilatie van de beide elpees.

Harry Rijnbergen componeert voor Herman Brood’s Street elpee het nummer “Turn it On” en ook nummers voor The New Adventures. Ook is hij manager van de groepen Hot Time Band, Harley Jay en Wise Toot. Wim Zomer is later een bekende televisie ster en Krijn Torringa is discjockey.

Rond 2000 maakt Harry Rijnbergen de solo CD: Savin’ it up. Hierop spelen o.a. Jur Eckhart (o.a. ex Ashtray, Northstar Showband en producer), Luuk Visscher e.a. Take her home komt op single uit.

Op 16 april 2003 treedt Harry Rijnbergen met een nieuwe (Ro-d-Ys) bezetting op tijdens de concert serie Nothing Going On in the City, in Huize Maas in Groningen. Veel oude nummers van de Ro-d-Ys worden weer gespeeld.

Op 23 september 2006 wordt in Oude Pekela een bronzen kunstwerk onthuld in de vorm van de vier hoofden van de bandleden. Helaas worden de hoofden in juni 2008 gestolen. Door wie is onbekend.

Intussen zijn journalist Wiebe Klijnstra en Poparchief-redacteur en oprichter van Platform Oost-Groningen Wessel Gernaat al jaren bezig met een boek over de Ro-d-Ys met daarin het verhaal over de band, met daarbij unieke beelden en geluidsfragmenten. Dit boek getiteld Ro-d-Ys Anytime: een Groninger beatlegende verschijnt op 29 november 2008 en wordt gepresenteerd in een boerenschuur in Oude Pekela, vlak naast de plek waar de Ro-d-Ys altijd repeteerden. Tijdens deze boekpresentatie worden ook de beelden van de hoofden van de bandleden (die men opnieuw heeft laten maken) aangeboden. Begin 2009 worden deze beelden geplaatst.

Op 27 september 1998 is Joop Hulzebos overleden op 52 jarige leeftijd. Ook Bennie Groen is inmiddels overleden.

Rob Engelsman mailde het volgende: “Wim Zomer runde Mod a go go ( zie hierboven red.) niet alleen. We deden het samen althans tot juli 1965. Daarna bestond Mod Agogo, dat eigenlijk een vereniging was, feitelijk niet meer, of het moet zijn dat Wim de naam is blijven gebruiken. Zie hiervoor mijn verhaal over Mod a go go op mijn facebook pagina”.

ro-d-ys (2010)

Take her home het vierkoppig standbeeld van beatgroep R-od-Ys is ‘home’ in Oude Pekela. Eindelijk hebben de Ro-d-Ys weer een podium. Nu het vernieuwde plein de Helling in Oude Pekela klaar is, is het ook tijd voor het vierkoppige standbeeld om er een prominente plek te krijgen. Een mooie locatie, vindt toevallige passant Jan van Greven. Hij zat in zijn jeugd in de klas met twee van de vier muzikanten: Joop Hulzebos en Berend Groen.

Bron: Dagblad v/h Noorden van januari 2021

De Ro-d-ys waren op slag een nationaal fenomeen
Published on August 1, 2016 By uDiscover Music Holland.

ro-09

In Nederland zijn we niet zo scheutig met het blijvend eren van onze pophelden. Beelden van Herman Brood, André Hazes en Harry Muskee en een straatnaam
voor de Golden Earring, dat is het wel zo’n beetje. Het is dan ook bijzonder dat juist ter herinnering aan de Ro-d-ys een heus monument is opgetrokken.
Een oplopend muurtje met daarop de bronzen hoofden van de vier bandleden, onthuld in 2006 in Oude Pekela, precies veertig jaar na het begin van de korte
maar hevige bloeiperiode van de band.

De groep ontstaat begin jaren zestig op de ULO in Oude Pekela. Leden van de latere band zijn actief in verschillende schoolbands, zoals de Popular Pipers Boys Band. Het repertoire is breed, van rock-‘n-roll en walsjes tot populaire dansliedjes. De stormachtige opkomst van de beat gaat ook aan het Groningse platteland niet voorbij. Vier jongens – zanger en gitarist Harry Rijnbergen, bassist Wigger Kenter, toetsenist en gitarist Joop Hulzebos en drummer Bennie Groen – besluiten na het verlaten van de middelbare school verder gaan als de Rowdies. Als er verwarring ontstaat omdat er ook al een andere groep onder die naam actief is, herdoopt het kwartet zich tot
Ro-d-ys. Wim Zomer werpt zich op als de gedreven manager van de jonge formatie.

ro-01

In 1966 gaat het hard met de band. Er wordt veel opgetreden, aanvankelijk vooral in Groningen, later ook in de rest van Nederland en het aangrenzende deel van Duitsland. Er worden demo’s opgenomen die leiden tot een platencontractcontract met Phonogram. Het eind 1966 met producer Hans van Hemert opgenomen You Better Take Care Of Yourself laat het potentieel van de band horen, maar de single flopt. De nare smaak daarvan wordt snel weggespoeld als het tweede plaatje, de overrompelende beatsong Take Her Home, wel een grote hit wordt. Van de herkenbare zang tot de gewaagde arrangementen, het is een pareltje van de Nederlandse popmuziek van de jaren zestig. In het voorjaar van 1967 reikt het tot de 3de plaats van de Top 40. De Ro-d-ys zijn op slag een Nationaal fenomeen.

Optredens, interviews en televisieshows – het zijn koortsachtige tijden, waar slagwerker Bennie Groen zich helaas aan moet onttrekken als hij in dienst moet.
Zijn vervanger wordt Dick Beekman, die overkomt van Cuby + Blizzards. Hij vertrekt echter weer en wordt vervangen door Willem van Meegen. Nadat Bennie Groen afzwaait, keert hij terug bij de band. De stoelendans trekt gelukkig geen wissel op het prille succesverhaal. Het pakkende Just Fancy levert de Ro-d-ys in de zomer van 1967 opnieuw een Top-10 hit op. Onder diezelfde naam verschijnt in dat jaar ook de eerste lp van de band, opnieuw opgenomen met Hans van Hemert.
De twaalf liedjes, van ruige garagerock tot barokke pop, zijn allemaal van de hand
van Harry Rijnbergen. Het is een ijzersterke collectie die de toppositie van de Ro-d-ys in de pikorde van de Nederpop verstevigt.

In augustus 1967 bezoeken Harry Rijnbergen en Wim Zomer op uitnodiging van de platenmaatschappij het dan hevig swingende Londen. Ze zie met eigen ogen hoe
de psychedelische popscene zich ontvouwt dankzij optredens van Pink Floyd,
Jimi Hendrix, The Small Faces en Arthur Brown. Borrelend van inspiratie keert het tweetal terug naar de Hollandse polder. De in Engeland opgedane impressies klinken meteen luid en duidelijk door op de single Nothing To Change A Mind en de B-kant Stop Looking On A Deadlock, die eind 1967 uitkomt.
De opvolger Sleep, Sleep, Sleep, met op de achterkant Show Me By Candlelight,
is een nieuwe voorbeeld van uitbundige psychedelica.

ro-03

In september 1968 verschijnt het meesterwerk van de band: de tweede lp Earnest Vacation. Het is een muzikaal door Keith West (hit: Excerpt From A Teenage Opera) en thematisch door het sprookje De Kleine Johannes van Frederik van Eeden geïnspireerd album. Vanwege de arrangementen van Bert Paige, de prachtige liedjes van Harry Rijnbergen en de sfeervolle productie van Hans van Hemert had dit het Nederlandse antwoord op Sgt. Pepper’s kunnen worden. Het is immers een staaltje barokke pop die zich kan meten met de beste internationale voorbeelden. Jaren later staat het dan ook hoog op de lijstjes van internationale verzamelaars van obscure psychedelische platen. In 1968 krijgt het album echter niet de erkenning die het verdient. De gevolgen daarvan laten niet lang op zich wachten. Aan het eind van het jaar vertrekt manager Wim Zomer. Hij wordt vervangen door de latere radiodeejay Krijn Torringa. Hij stelt voor de band te versterken met de jonge zangeres Annet Hesterman. Het is een noodgreep die de band niet weet te redden. Na nog een paar ijzersterke singles valt in 1969 toch het doek voor de Ro-d-ys.

Harry Rijnsbergen en Bennie Groen duiken niet veel later op in Zen, waar ze nog net het staartje van dat succesverhaal mee mogen maken. De eerste blijft actief in de muziek, met eigen bands en als songschrijver. Werk van hem wordt later opgenomen door o.a. de New Adventures en Herman Brood. In 1989 treedt de originele bezetting nog een keer op in Veendam. Joop Hulzebos overlijdt in 1993, tien jaar later volgt Bennie Groen. Ondertussen neemt de waardering toe. Onder grote belangstelling wordt in 2006 het monument onthuld. Twee jaar later volgt een lijvige biografie.
Het Groningse dorp koestert zijn helden. En terecht. In 1967 weet iedereen dankzij
de Ro-d-ys opeens waar Oude Pekela ligt.

Geschreven door Robert Haagsma

ro-d-ys
ro-d-ys02
ro-d-ys03

Hun eigen Website : http://www.ro-d-ys.com/

Enkele video’s:

RO-D-YS – Just Fancy : https://www.youtube.com/watch?v=lQ2yyX2dX6I
RO-D-YS – Just Fancy (Live) : https://www.youtube.com/watch?v=RQnKtk_k4Mo

RO-D-YS – Take her home : https://www.youtube.com/watch?v=RGO7nkTint4

RO-D-YS – Sleep, Sleep, Sleep : https://www.youtube.com/watch?v=B9AkN0XySqE

RO-D-YS – Winter Woman : https://www.youtube.com/watch?v=N_kXER46Exg

RO-D-YS – Raincoat (Live) : https://www.youtube.com/watch?v=ABuPbzB7-os

RO-D-YS – Robinetta (Live) : https://www.youtube.com/watch?v=YRMwa6Zjogs

RO-D-YS – You better take care of yourself :
https://www.youtube.com/watch?v=n36YADcHX-o

RO-D-YS – Any time: https://www.youtube.com/watch?v=JQRe_D0aFMg

RO-D-YS Beatband uit Oude Pekela : https://www.youtube.com/watch?v=gPF0wwCwfH8

RO-D-YS – Gods of Evil (Live in Oude Pekela), presentatie van hun werkelijk prachtige lees-, luister- en kijkboek : https://www.youtube.com/watch?v=siPwo5o8x1Y

Op bezoek bij The Ro-d-ys in Oude Pekela :
https://www.youtube.com/watch?v=BgU5S2GdfSk

RO-D-YS – No place like home : https://www.youtube.com/watch?v=PGQhFPyCM_g

De RO-D-YS Beelden herplaatsing in Oude Pekela :
https://www.youtube.com/watch?v=u3p0UntgAzo

Gerrit Jan Brunink

21 NOVEMBER 1913 OUDE PEKELA – 5 OKTOBER 1983 GRONINGEN

gerrit jan brunink
Foto: Persfotobureau D. van der Veen

Gerrit Jan Brunink (1913-1983). Postbode, freelance journalist, schrijver, raadslid
en ereburger van de gemeente Oude Pekela “wegens zijn talloze verdiensten
voor de Pekelder gemeenschap”.

Gerrit Jan Brunink werd in Oude Pekela geboren op 21 november 1913 als zoon van Gerrit Brunink en Zwaantje Hensema. Hij had geen broers of zussen en als enig kind groeide hij op in het ouderlijk huis aan de Burgemeester van Weringstraat in Oude Pekela. Hij kende een liefdevolle en onbezorgde jeugd. Het lager en middelbaar onderwijs (ULO Oude Pekela) volgde hij probleemloos.
Al op jonge leeftijd onderscheidde hij zich met het maken van opstellen.
Het schrijverstalent kondigde zich al vroeg aan. Een baan in de krantenwereld lag voor de hand, maar toch werd na de middelbare school daar niet direct voor gekozen. Hij trad namelijk in de voetsporen van zijn grootvader Gerriet Brunink,
die kleermaker was, door als kleermakers leerling aan de slag te gaan.

De zoon van zijn baas was plaatselijk correspondent van enkele kranten en Gerrit
viel af en toe voor hem in. Zo leerde hij verslagen maken en rolde hij toch in het verslaggevers vak. Het duurde niet lang of het correspondentschap werd volledig overgenomen. Gerrit was toen amper 20 jaar. Hij zou het samenstellen van pennenvruchten blijven doen tot aan zijn dood.

lees hier meer : https://www.kapiteinshuis.nl/wp-content/uploads/2022/01/Biografie_Gerrit_Jan_Brunink1913-1983.pdf

Fré Meis

Frederik (Fré) Meis (Oude Pekela, 17 november 1921 – Groningen, 15 december 1992) was in de tweede helft van de twintigste eeuw een voorman van de Communistische Partij van Nederland (CPN) in de Nederlandse provincie Groningen.

gezin meis
Het gezin van Michiel Meis en Trientje Bruintjes.

Meis, afkomstig uit een communistisch arbeidersgezin, was een zoon van de strokartonarbeider Michiel Meis en van Trientje Bruintjes. Op zijn negende jaar werd hij door zijn vader ingeschakeld bij stakingsactiviteiten en fungeerde hij als poster bij de fabriekspoort. Na de lagere school werkte Meis als land- en fabrieksarbeider. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij in het kader van de werkverschaffing ingezet en werd hij gedwongen om voor de Duitsers te werken bij de aanleg van bunkers op het eiland Borkum en op vliegbasis Wittmundhafen. Direct na de Tweede Wereldoorlog sloot hij zich aan bij de CPN, uit bewondering voor de rol die deze partij had gespeeld in het verzet.  Vanaf 1946 zat hij voor de CPN in de gemeenteraad van Winschoten; ook schreef hij voor De Waarheid. Later zat hij voor de CPN in de Tweede Kamer, de Provinciale Staten van de provincie Groningen en gemeenteraad van de gemeente Groningen. Hij was tevens lid van het landelijk partijbestuur en het dagelijks bestuur van de CPN.

Daarnaast was Meis actief binnen de Eenheids Vakcentrale (EVC). Hij werd vakbondsbestuurder en leidde in de jaren vijftig en zestig van de 20e-eeuw meerdere stakingen in de havens van Rotterdam en Amsterdam. Vanaf 1968 verlegde hij zijn actieradius naar Oost-Groningen. Hij leidde er grote stakingen bij strokartonfabrieken als De Vrijheid in Veendam en De Union in Oude Pekela. Hij was een van de initiatiefnemers van het Volkscongres Groningen, dat bedoeld was om het verzet te bundelen tegen de economische achterstelling van Groningen. Ook was hij een fel tegenstander van het Plan Kikkert, een plan van het Tweede Kamerlid Henk Kikkert (CHU) om een groot militair oefenterrein aan te leggen in Westerwolde.

Op 11 mei 1971 kwam Meis in de Tweede Kamer. Hoewel hij hierdoor geregeld in Den Haag vertoefde, bleef hij zich ook op Groningen richten. Onder zijn aanvoering verzette de CPN zich tegen de vermeende economische achterstelling van de provincie bij de rest van het land. Meis was een van de gangmakers bij de zogeheten ‘Volkscongressen’, die tussen 1972 en 1980 viermaal – eerst in Groningen, later in Winschoten – werden gehouden om tegen deze achterstelling te protesteren. Juist gedurende deze jaren, toen Meis in de CPN vooraan stond, geraakte zijn partij in grote moeilijkheden. Op 25 mei 1977 verloor de CPN bij de Tweede-Kamerverkiezingen vijf van de zeven zetels, waardoor er toen een einde kwam aan zijn parlementaire werk.

Op langere termijn leidde de verkiezingsnederlaag tot een strijd tussen vernieuwingsgezinden en orthodoxen in de CPN. In dit conflict keerde Meis zich tegen de vernieuwers, onder wie zich in Groningen nogal wat studenten bevonden die aan het begin van de jaren zeventig, mede vanwege zijn optreden als actieleider, lid waren geworden van de partij. Meis verzette zich tegen de aantasting van de leninistische beginselen van de CPN en tegen de kritiek op de Sovjetunie. Hij nam zitting in de landelijke coördinatiegroep van het behoudende Horizontaal Overleg van Communisten. Toen deze organisatie zich van de CPN dreigde los te maken,
haakte hij af: de partijeenheid was hem heilig.

Ondanks zijn gehechtheid aan de partij legde hij zich erbij neer dat de CPN in 1990 opging in Groen Links. Zijn maatschappijbeschouwing bleef daarbij ongewijzigd. Bij de Provinciale-Statenverkiezingen van 1991 trad Meis op als ‘lijstduwer’ van Groen Links. Begin 1992 zegde hij echter zijn lidmaatschap op, uit protest tegen de uitspraak van een vertegenwoordiger van Groen Links in het Europese Parlement, dat in de nieuwe partij ‘de oude stalinistische methoden van de CPN’ waren teruggekeerd. Meis beschouwde dit als een belediging van de communisten.

Meis was een communist in hart en nieren, die het geloof in de komst van het socialisme nooit heeft opgegeven, ook niet na de ondergang van de Sovjetunie en van zijn partij. Hij was bovenal een man van de actie: als vakbondsman en als stakingsleider die opkwam voor de arbeidersklasse kreeg hij landelijke bekendheid. In Groningen stond hij ook individuele arbeiders met raad en daad terzijde: vanaf het einde van de jaren veertig tot 1990 hield hij geregeld spreekuur voor mensen met problemen op gebied van huisvesting, uitkeringen en dergelijke.

Meis was meer een doener dan een denker, meer een man van de praktijk dan van de theorie. Slechts een enkele maal schreef hij een artikel in Politiek en Cultuur , het theoretisch tijdschrift van de CPN, en dan voornamelijk over de sociaal-economische strijd in Groningen. Meis was ook een agitator die de taal van de arbeiders sprak en daarbij demagogie niet schuwde. Met zijn rechtlijnige, directe woordgebruik kwam hij beter uit de verf op actievergaderingen dan in de Tweede Kamer. Zijn imago van ijzervreter poogde Meis voor de buitenwacht te cultiveren. Hierachter ging echter een man schuil die op cruciale momenten ook weifelmoedig kon zijn en zich liet imponeren.Na het beëindigen van zijn politieke werkzaamheden in 1978 richtte Meis zich op advieswerk aan bejaarden. Hij hield spreekuren voor ouderen en hielp hen bij financiële zaken. Toen de CPN in de jaren 80 afstand deed van haar oude beginselen sloot hij zich aan bij het Horizontaal Overleg van Communisten (HOC). Bij de scheuring tussen HOC en CPN bleef hij lid van zijn partij. In 1991 trad hij bij de Provinciale Statenverkiezingen nog op als lijstduwer voor GroenLinks, waarin de CPN was opgegaan. Het jaar daarop verliet hij deze partij echter.

In 1987 publiceerde Meis het eerste deel van zijn memoires, Veertig jaar actie. Een aangekondigd vervolg op dit eerste deel is nooit verschenen. In 2002 verscheen de biografie Fré Meis. Handelsreiziger in revoluties. Ook werd in 2013 een documentaire gemaakt over Fré Meis met als titel Woorden van beton.
Fre Meis – Woorden van Beton : https://www.youtube.com/watch?v=9JzZVVUZT0E

Persoonlijk : Meis trouwde in 1943 met Christina Bakker. Uit dit huwelijk werd een zoon geboren. Meis overleed in december 1992 op 71-jarige leeftijd in zijn woonplaats Groningen aan een hartstilstand.

Wetenswaardigheden:
De overwinning van de CPN bij de Statenverkiezingen in Groningen in 1970 werd toegeschreven aan het ‘Meis-effect’.

Als leider van het adviesbureau van de CPN in Groningen adviseerde hij over uitkeringen, belastingen, huisvesting, justitiële zaken etc.

Trad uit GroenLinks, nadat Europarlementariër Herman Verbeek had gezegd dat de partij werd beheerst door communisten en Stalinisten. Hij voelde zich daardoor niet langer thuis in GroenLinks.

Op een bomvol plein aan de Wedderweg in Oude Pekela spreekt stakingsleider Fré Meis de stakers toe. De stakers zijn allemaal werkzaam in de strokartonindustrie en leggen maandenland iedere maandag het werk neer.

Ze eisen een loonsverhoging en hebben Meis gevraagd de stakingen te leiden. Meis is een bekende naam geworden op dat gebied, hij leidde eerder ook stakingen in Rotterdam en Amsterdam. In 1969 wordt hij daarom gevraagd zich te buigen over de lage lonen en de dreiging van sluiting van verschillende fabrieken. Met zijn rol als strokartonstakingsleider werd Meis landelijk bekend en bij fabrieksbazen zelfs berucht. Er werd wel gesproken van het ‘Meis-effect’. Zodra fabrieksbazen hoorden dat hij de staking zou leiden, werden de eisen al ingewilligd. Ook wist Meis met zijn optreden de nijpende situatie in Oost-Groningen flink op de kaart te zetten in de landelijke politiek. Ook in Oost-Groningen kon hij een deel van de werkgelegenheid redden. De reden van zijn succes in Oost-Groningen wordt toegeschreven aan zijn karakter en manier van optreden. Zijn duidelijke ferme taal, zijn robuuste optreden en zijn vastberadenheid zorgden ervoor dat de stakers achter hem bleven staan. In Oude Pekela wordt nog steeds met dankbaarheid aan Fré Meis zijn inzet voor het gebied gedacht. In 2002 werd die dankbaarheid tastbaar gemaakt door de onthulling van een standbeeld van Fré Meis aan de Wedderweg in Oude Pekela. De straat waar hij eens in 1921 geboren is, herinnert nu aan zijn optreden op het plein in 1969.

Beeld-2-1536x1048
Fré Meis spreekt de arbeiders tijdens de Rode Maandagen toe bij de
Wedderweg in Oude Pekela, september 1969.
(Persfotobureau D. van der Veen, Groninger Archieven)

In Oude Pekela staat sinds 2002 een door Christine Chiffrun vervaardigd
borstbeeld van hem. zie https://fotocollect.blog/2021/09/11/fre-meis/

Het broeide al een tijdje in Pekela, maar in 1969 barstte de spreekwoordelijke bom. Werknemers van de strokartonfabrieken in de regio voelden zich achtergesteld, omdat hun lonen een stuk lager waren dan die van fabrieksarbeiders in de Randstad. Er werd een gelijke beloning vereist. Daarom kwamen, in september 1969, werknemers van strokartonfabriek Union bijeen in café Sasker. Zij stemden unaniem in met een wilde staking op de eerstvolgende maandag. Een ‘wilde staking’ betekent dat de staking vanuit de werknemers zelf komt, en niet vanuit een vakbond of andere werknemersorganisatie. Het initiatief van Union inspireerde werknemers van andere fabrieken in Pekela om hetzelfde te doen. Ruim 2.300 werknemers legden wekenlang elke maandag het werk neer. De stakingen zijn de geschiedenis ingegaan als de ‘Rode Maandagen’. Het leidde tot een loonsverhoging in de cao van 1970.

staking1969
Bijeenkomst in café Sasker van arbeiders van de strokartonfabrieken.
Er wordt gestemd over de staking, 1969.
(Persfotobureau D. van der Veen, Groninger Archieven)

Demonstratieve optocht in Amsterdam van de Communistische Partij
op 27 maart 1971.

924-4000
Beschrijving : Demonstranten trekken met vlaggen en spandoeken door de straten van Amsterdam
924-3992
Fré Meis krijgt van een meisje een lik van een ijsje.

(Dit meisje is Tanja op ’t Ende, dochter van Tjidde op ’t Ende, voormalig raadslid voor de CPN in Schiedam, in de jaren’70.)

2138_3567
Staking bij steenfabriek Strating, Oude Pekela. Links op het podium Fré Meis
(Vervaardiger Persfotobureau D. van der Veen , Datum 1969-11)

Indrukwekkende spreker

Meis was een charismatische persoonlijkheid. ‘100 kilo vastberadenheid’, kopte de Volkskrant eens in een artikel over hem en hij beschikte over een natuurlijk gezag. Maar Meis was vooral een indrukwekkende sprekers die massa’s zowel kon
opzwepen als in bedwang houden. Hij sprak de taal van het volk en gaf
Oost-Groningen een stem die de problemen zoals werkeloosheid en
economische achterstand op de kaart zette.

Na zijn politieke carrière in 1978 hield Meis spreekuren voor ouderen en hielp hij hen bij financiële zaken. De CPN ging aan het eind van de jaren tachtig op in GroenLinks en Meis was in 1991 nog één keer lijstduwer voor deze partij bij de Provinciale Statenverkiezingen, maar het jaar daarop verliet hij deze partij.

nog enkel video’s:

Fré Meis in Slochteren, 1972 : https://twitter.com/gronarch/status/1482345347468959744

De Strijd van Fre Meis : https://www.youtube.com/watch?v=rpx4hqUm-YE

Jan Cornelis Ottjes

Kunstschilder/kleermaker te Oude Pekela (1912-1968)

ottjes1
ottjes2

Nederland kent honderden bepaald niet onverdienstelijke amateurschilders.
Soms mensen waar je het totaal niet van zou verwachten zoals de

Pekelder kleermaker Jan Cornelis Ottjes. Jan Cornelis Ottjes werd geboren
op 28 september 1912 in Westeind 6 te Blijham, als zoon van kleermaker
Wessel Ottjes en Helena Christina Maters, die vanuit huis een
kruidenierswinkeltje dreef.

Op de lagere school tekende hun zoon Jan graag en hij vond zijn schoolrapport
alleen maar goed als er tenminste een negen voor tekenen op stond.
Al jong wist hij het zeker! Kunstschilder wilde hij worden, maar zoals toen
gebruikelijk mocht dat niet van zijn ouders. Zijn vader vond dat artiesten toch
alleen maar aan lager wal raakten. Hij moest een ‘écht’ vak leren en zijn vader
als kleermaker opvolgen. Veel keus had Jan niet want als kunstschilder kon je
inderdaad moeilijk het brood verdienen.

Op 18 december 1936 trouwde Jan met Brechtje Meijer, met wie hij al
verkering had vanaf haar vijftiende jaar. Ze vestigden zich in Oude Pekela
en huurden de pastorie van de Vrij Evangelische kerk.
Voorganger De Boer werd kostganger bij Ottjes. Met een windbuks schoten
hij en Jan op musjes achter in de tuin, die naast de kerk lag.
Als er dan glasscherven rinkelden van een kerkraampje, zei de dominee:
‘Zo, de kogel is weer door de kerk.’
Jan en Brechtje lieten later een nieuw huis bouwen aan de
Binnenweg 16; tegenwoordig Thorbeckelaan 35.

binnenweg 16
Binnenweg 16
thorbeckelaan 35
Thorbeckalaan 35

De mensen in Oude Pekela spraken er schande van: kosten ongeveer zesduizend gulden, terwijl een doorsnee burgerhuis zo’n vierduizend gulden kostte.
Maar Jan wilde een ruim huis, met kleermakerswerkplaats en daarboven,
op zolder, een schildersatelier dat later werd voorzien van een extra groot draadglasraam in het schuine dak voor een betere lichtinval.

Ze kregen een eerste hypotheek van de Bondsspaarbank en nog een tweede
van Jans broer Luken, die hij als eerste mocht aflossen.

De kleermakerij:
Het ging goed met de kleermakerij. In en na de oorlog was een zogenaamd
‘klettervest’ in de mode. Die werd dan gemaakt van een oude manchester
colbert, want nieuwe stoffen waren haast nog niet te krijgen. Als er een
klant met zo’n jas kwam werd met kleermakerskrijt diens naam er op
geschreven en op een stapel andere oude jassen gelegd.

Krijt is niet houdbaar en zo kon het eens gebeuren dat de ene Pekelder
tegen een andere zei: ‘Ik geloof, dat jij in mijn vest loopt.’ Een andere
klant moest later een colbert, maar de man had een moeilijk postuur.
Bij de kant en klare aflevering in de werkplaats zei de klant na het passen:
‘Ik  vind de jas prima, maar een beetje te ruim; kun je die middelste knoop iets
verzetten?’ De kleermaker vond eigenlijk dat dit niet kon, want dan zou er
een lelijke vouw in het voorpand gaan hangen. Maar dat zei hij niet.
Hij zei: ‘k Heb nu geen tijd, kom morgen even terug.

’ De volgende dag kwam de man weer en Jan zei: ‘k Heb het toch zo druk gehad,
maar morgen is het echt klaar.’ De dag erop kwam de klant terug en vroeg:
‘Is de knoop al verzet?’ ‘Jazeker’, zei Jan, ‘probeer de jas nou maar weer eens aan.
’ De man ging voor de passpiegel staan en zei: ‘Ja, zo is ’t veel beter.’
Zo bleef de knoop op dezelfde goede plek.

Schilderen:
Jan las veel in boeken uit de bibliotheek over het schilderen zelf en over
Franse schilders. Ook had hij grote bewondering voor het werk van
Vincent van Gogh. Jan was een autodidact en zo probeerde hij bijvoorbeeld

een streepjestechniek uit in een schilderij met als titel ‘Wadden bij Termunten 2’,
maar dit werd niet zijn stijl.

wadden2
Wadden 2

Jan Cornelis Ottjes bleef bij zijn eigen expressief realisme. Verf kocht hij bij Bossina in Groningen. Zij moest van goede kwaliteit en kleurvast zijn. Als hij toch naar de stad moest, dan bezocht hij steevast ook de tentoonstellingen in de Mangelgang  en Pictura. Zijn werk is dan ook voor een deel geïnspireerd op De Ploeg.
Bij Bossina vroegen ze zelfs een keer of hij zich niet bij de kunstenaarsgroep wilde aansluiten, maar dat was niets voor hem. Jan ging liever op zijn eigen zelfstandige weg verder en beleefde veel plezier aan zijn schilderwerk.

Meer dan 100 schilderijen maakte hij.

Jan had verschillende cursussen gevolgd bij schilderskring d’Olle Witte te Winschoten. Na een voorlichtingavond over moderne kunst door Siep van de Berg,
die met dia’s een lezing gaf en zelf niet wist wat bij zijn  dia’s boven of onder was.
– toen een dia eerst als ‘op de kop’ en daarna weer ‘nee, toch goed’ werd aangegeven – trok Ottjes al snel de conclusie, ‘Moderne kunst is niks, men weet niet eens wat onder of boven is van een schilderij’. Jan ging door op de traditionele manier. Vanwege geldgebrek schilderde hij veel op harde kartonboard, dat Luken voor hem op maat liet snijden  in de kartonnageafdeling van de fabriek Erica te Oude Pekela. Op zijn vrije woensdagmiddag trok hij bij goed weer op de motorfiets richting Westerwolde, waar hij schetsend met potlood of schilderend steeds een geschikt tafereel kon vinden. Jan hield van het landschap van Wester­ wolde. Tevens mocht hij graag linoleumsnedes maken, die steeds in zwart­ wit werden af gedrukt.

steeg
steeg
bult1
bult1
bult2
bult2
hoornerveen
hoornerveen

Als Jan op zijn motor vertrok werd hij wel eens nageroepen; ‘Kleermaker maak nou eerst mijn pak eens klaar!’ Het kleermakersvak leverde niet altijd voldoende geld op. Door de opkomst van de confectie-industrie was hij zelfs genoodzaakt om een tijdje op de strokartonfabriek Erica te gaan werken. Maar Jan nam steevast de woensdagmiddag vrij. Dus het volle weekloon verdiende hij niet. Bovendien kreeg hij als beginneling het minimum loon. Na dat jaar vroeg Jan om loonsverhoging, maar dat kreeg hij niet omdat hij weigerde een volledige week te werken. Toen de directie op het standpunt bleef staan dat hij toch een volle week moest werken diende Jan direct zijn ontslag in. Daarna volgde hij een omscholingscursus tot metaaldraaier aan de Rijkswerkplaats te Winschoten en werkte met veel plezier in de Noord Nederlandse Machinefabriek. Daar werden elk jaar metalen machineassen gebracht die met een conisch en een taps einde op elkaar aansloten.
Die tappen braken steeds af, omdat de aansluiting altijd een beetje afweek door het noodzakelijke opnieuw instellen van de draaibank. Jan liet de instelling echter zo staan en ontmantelde de draaibank helemaal, zodat de tweede as er toch in kon.
Jan was ook een selfmade man op ander ambachtelijk gebied. Zo maakte hij bijvoorbeeld veel scheepsmodellen en echt werkende stoommachientjes.
Ook bouwde hij drie grote houten zeilboten: een schouw, een kleine BM-er en een kajuitjacht, die vriend en politieman Koop Klop voor hem voltooide.
Van deze laatste boot heeft hij echter niet lang kunnen genieten, want op 24 april 1968
overleed Jan Cornelis Ottjes aan zijn derde hartinfarct op 55-jarige leeftijd.
Hij was een eigenzinnig, opgewekt en eerlijk  mens, met soms ernst, veel humor.
Hij was een sterke persoonlijkheid.

familie ottjes
familie ottjes

Geschreven door Wessel Jan Ottjes

( Bron: Veenkoloniale Volksalmanak nummer 25, jaar 2013  – Veenkoloniaal Museum,
Jaarboek voor de geschiedenis van de Groninger Veenkoloniën )

%d bloggers liken dit: